colet -christiaan

In 1948 verscheen van de hand van Henriette Roland Holst de dichtbundel Wordingen, een cyclus van liefde en vertrouwen. In twaalf zangen bezingt zij haar hoopvolle visie op de ontwikkeling van de mensheid; die zal uiteindelijk tot haar voleinding komen in het socialisme. Maar de cyclus laat zich ook lezen als de wording van één mens. Van beproeving naar licht. En weer terug. En weer verder.

Door: Colet van der Ven

Wie leeft, loopt littekens op. Niemand blijft gevrijwaard van pijn, schaamte, angst, vernedering, schuld, falen, leugens of verraad. Uit welke bron ontspringt dan steeds opnieuw het ‘en toch’? Wat is dat vermogen van de ziel tot eindeloos opveren?

Wat ik ervan weet, heb ik geleerd van naamloze vreemden, dichtbije verwanten. Ik kwam ze tegen en zocht ze op: mensen van wie de weg steniger, verwarder en minder begaanbaar was dan die van mij. Die werden geplaagd door angst te verdwalen, geteisterd door stormwinden en hagel. En juist zij, met reden te over tot wanhopen, brachten het vaak op te blijven geloven.

Het is 1979. Ik werk in Calcutta, samen met een Britse arts, aan de rivier de Howrah. Oevers van verval. Bruggen als schuilplaatsen voor wat niet gezien mag worden. Schaduwen van mensen. Of zijn het vuilniszakken? Het donker onthult weinig. Als mijn ogen enigszins gewend zijn aan het duister, ontwaar ik een man, een jongen nog. Twintig jaar. Sinds twee jaar verlamd van zijn borst tot aan zijn benen. Zijn aarde beslaat twee vierkante meter steen, zijn hemel twee vierkante meter plastic. Die aarde en hemel vormen zijn huis en wereld. Hij heeft doorligwonden zo diep als een vuist. Van nekwervel tot knieën. Voor, achter, opzij. Ik smeer zalf zonder te zien. Zijn vrouw komt aanlopen, een meisje nog, achttien pas. Ze brengt hem water en rijst, aait hem over zijn hoofd, lacht en hij lacht terug. Ik ben verbijsterd over dat vermogen tot geluk onder die hemel van plastic en op die aarde van steen. Het is dertig jaar geleden, ik weet niet hoe ze heten, hun gezichten zijn vervaagd, toch zijn ze sindsdien met me meegereisd. De jongen en het meisje, twee naamloze iconen van veerkracht.

Ook vele anderen die wél een naam kregen, leefden mij dat geheimzinnige mysterie, dat ‘en toch’-gevoel voor. Lieten me zien dat je misschien niet kunt verhinderen dat de kraaien van zorg en kommer over je hoofd vliegen, maar wel dat ze zich in je hoofd nestelen.
Neem die joodse vrouw. Na jaren zwerven langs een tiental onderduikadressen belandt ze op achttienjarige leeftijd in Auschwitz. Daarover vertelt ze: “Al snel vormden zich groepjes van mensen die met elkaar op een tienpersoonsbed sliepen. Ik kwam terecht in een groep van acht vrouwen van verschillende leeftijden. We beschermden elkaar, vertelden onze levensverhalen, letten op elkaar. Als de een in wanhoop verviel, zei de ander: ‘Maar we redden het. Je zult het zien.’”
En dan, over 8 mei 1945, de dag van haar bevrijding: “Het appèl verliep bijzonder chaotisch. We zagen de SS bepakt en bezakt vertrekken. Heel voorzichtig keken we door de ramen van het wachthuisje. Leeg. We maakten het hek open. Niemand hield ons tegen. We waren vrij. Op slag werd ik een ander mens. Ik voelde hoe ik mijn rug rechtte. Mijn gezicht naar de zon hief.” In deze laatste zin vangt zij het oerbeeld van het licht dat de duisternis heeft overwonnen, van ongebroken veerkracht.

Een Iraanse schrijver, gemarteld onder de Sjah en Khomeini, vertelde hoe hij in de gevangenis zijn geest te hulp riep wanneer zijn lichaam het niet meer uithield. “Je moet iets zoeken dat je in leven houdt. Dat kan de liefde voor een vrouw zijn, of een beeld uit het verleden of een gedicht. Iedere droom kan je boven de vernedering uittillen.” Verbeelding als tegenkracht. In de woestijn fantaseren over een tuin. Dromen tegen de verdrukking in. Hartstochtelijk blijven geloven dat het kan, dat andere leven, die nieuwe wereld. Dat wij het kunnen.

Maar waar wortelt die levenskracht? Bestaat er zoiets als talent voor het ‘en toch’-gevoel, een aangeboren lenigheid van de ziel, zoals je talent kunt hebben voor zingen of voor vriendschap? Dat bestaat, maar het is niet het enige. Het is ook wat mensen aan elkaar kunnen doen. We kunnen elkaars zachtheid wekken, elkaars gezicht opdelven, elkaar mooi maken. De ander bij de hand nemen wanneer die dreigt te verdwalen. Moed inspreken wanneer hij halverwege opgereisd is. Zeggen, wanneer zij in wanhoop vervalt, zoals de joodse vrouw vertelde: ‘Houd vol, je redt het, je zult het zien.’
We kunnen het ‘en toch’-gevoel in elkaar wakker roepen en levend houden door mét Henriette Roland Holst te zeggen:

“Dit is nog lang niet geluk,
maar gevoel of geluk kan komen,
als op de vooravond van een feest.”

Colet van der Ven is journaliste. Zij werkte voor radio en televisie bij o.a. de IKON, de VPRO en de VARA. Op dit moment is zij een van de presentatoren van het NCRV-radioprogramma Casa Luna.

Nog geen reactie — begin het gesprek.