Als klein meisje was mij geleerd dat ik ‘onbekwaam’ was en ‘geneigd tot alle kwaad’. Zelfs het aller-, allerliefste dat ik ooit voor iemand had gedaan of nog zou doen, was ‘bevlekt met zonde’. Ik wist dan ook heel goed dat ik letterlijk niets goed kon doen, en dat ik ook nog eens niks, noppes, nada kon bijdragen om dat te veranderen of te compenseren.

Toch leed ik daar (toen) niet (bewust) onder. Sterker nog: ik voelde me meestal niet bedrukt of moedeloos, maar blij. Uitzinnig blij zelfs. Ik was gered! Dankzij het offer van Jezus, in de vorm van zijn kruisdood, zou God tòch vol liefde naar mij kijken. Uiteraard niet om wie ik was of om wat ik voelde, dacht, zei of deed, maar enkel en alleen om Jezus en om wat hij had gedaan, voor mij.

Het was belangrijk om dankbaar te zijn. En blij. Dat blij zijn kon ik al snel als de beste. Trouwens, andere gevoelens waren ook helemaal niet nodig en leerde ik steeds beter negeren. Boosheid was van de duivel (wat heb ik ertegen gevochten en wat verloor ik vaak mijn strijd tegen ‘het kwaad’!) en angst sloeg toch eigenlijk nergens op als de HERE bij je was? Jaloezie kon ik, als ‘goede christen’, maar beter volledig ontkennen, want een echte christen ‘acht de ander uitnemender dan zichzelf’ en ‘verblijdt zich met de blijden’. Verdriet, oké, dat mocht wel. Een beetje gepast verdriet om de bewuste en onbewuste zonden die ik elke dag beging, was nooit weg.
Maar, o vreugde, ik was gered en vergeven! En hop, daar was de blijdschap weer. Het leek wel een loop.

Gelukkig drong de praktijk van het leven uiteindelijk dieper tot mij door dan de theorie die mij daarover was geleerd. In therapieën, zelfhulpboeken, maar vooral in het echte leven, ontdekte ik dat ik zonder boosheid volkomen hulpeloos en grenzeloos was en dat ik zonder angst meer weg had van een robot dan van een mens.

Jaloezie leerde ik als een spiegel zien, waarin ik ontdekte dat mijn behoeften niet vervuld voelden en dat er op dat vlak ongeheelde pijn aanwezig was die mijn aandacht nodig had. Ik leerde steeds beter voor mezelf te zorgen door zo goed als ik kon te luisteren naar mijn èchte gevoelens, met zoveel mogelijk aandacht en zo weinig mogelijk oordeel.

Langzaam maar zeker merkte ik dat ik steeds meer mijn eigen ruimte innam, in plaats van, mezelf verontschuldigend voor wie ik was, steeds stapjes terug te doen.

Daaraan gerelateerd was de ruimte die ik aan anderen kon geven. Hoe meer ik in vanzelfsprekendheid mijn eigen ruimte innam met alles wat ik ben en voel, hoe minder ik de ruimte van de ander als bedreiging ervoer. Wanneer ik toestemming geef aan het menselijke in mij, geef ik daarbij automatisch toestemming aan het menselijke in de ander.

Diep vanuit mijn mens-zijn kan ik mij veel efficiënter met mijn ‘broers en zussen’ in de wereld verbinden, dan ik ooit kon vanuit opdracht, met ‘broeders en zusters in de Here’.

Ik realiseer mij dat dit enkel in mijn beleving zo is en dat dit niks zegt over de kwaliteit van verbindingen die mijn ‘broers en zussen’ in de kerk met elkaar en anderen aangaan. Ik wil hiermee ook zeker niet suggereren dat je enkel buiten de kerk ‘volledig mens’ kunt worden. Elk mens ervaart dat anders. Er zijn mensen die, wanneer ze tot geloof komen en naar de kerk gaan, het gevoel hebben dat ze eindelijk ècht leven. Er zijn ook mensen, ik ben daar één van, die dat gevoel juist kregen door de kerk uit te gaan en het (aangeleerde) geloof vaarwel te zeggen.

lampionbloem open en echt

Het leven leerde mij leven. En voelen, als een mens. Dat ‘mens worden’ duurt nu al meer dan 15 jaar en gaat nog altijd door. Wat ik vooral heb moeten leren was mezelf toe te staan om mens te zijn. Bijzonder detail was voor mij dat ik daarin het grootste voorbeeld vond in mijn redder van vroeger: Jezus. Als geen ander staat hij voor mij symbool voor ‘mens worden’. In zekere zin is hij dus nog steeds mijn verlosser.

Maar niet meer van schuld en zonden. Hooguit van onwetendheid, van niet zijn wie ik ben. En is het niet ‘zonde’ wanneer je niet uitdrukt wie je bent?

‘IK BEN’ zijn woorden die zowel in de bijbel als in mijn persoonlijk leven een grote rol spelen.

Ik ben méér dan het eenzijdige beeld dat mij werd bijgebracht. Ik ben niet alleen maar geneigd tot alle kwaad, ik ben ook geneigd tot alle goed! Ik ben niet alleen maar volgzaam, dankbaar, blij òf ‘stout’. Ik kan inmiddels het hele spectrum aan menselijke emoties vanuit mijn tenen uitdrukken en beleven. Zonder schuld en schaamte, maar mèt toestemming.

Niet dat ik mij nooit meer schaam of schuldig voel, maar ik hoef mij dan tot niemand te wenden om mij te (laten) verlossen. Dat geldt voor alle gevoelens die ik heb. Ik hoef alleen maar in gedachten mijn armen om mezelf heen te slaan en te fluisteren: “Het is oké, je mag je zo voelen, daar heb je een reden voor. Je mag er ook best van balen dat je je zo voelt, dat is ook oké. Het is oké. JIJ bent oké.”

ingebos

Inge Bosscha

Blogger

Inge Bosscha is coach voor kerkverlaters en initiatiefneemster van online platform Dogmavrij.nl, waar zij ruimte en inspiratie biedt om in …
Profiel-pagina
Al 4 reacties — praat mee.