Houseparty’s, disco’s en hiphopfeesten heb ik altijd gemeden, evenals carnavalsfeesten, kantoorafdelingen en voetbalkantines. In de voetbalkantine moet je met het bier in de hand een gezellig mannencollectief uitstralen; samen uit, samen thuis. Op kantoor dienen collega’s in het team te passen – dat heet dan, samenzweerderig eng, ‘teamspirit’. Nog erger zijn politieke fracties – weleens een raadslid of parlementariër origineel gedrag of originele taal zien uitslaan? Stuk voor stuk geknecht aan de naar meel smakende fractiediscipline van opportunistische ja-knikkerij. En als de verveelde goegemeente het weer op z’n heupen krijgt en begint te raaskallen over allochtonen zus en allochtonen zo, dan roep ik luidkeels: Please my Lord, don’t put me in the minority box!

Daarom, beste mensen, krijg ik het een beetje warm bij een nieuw WIJ. (Vreemd eigenlijk dat uitgerekend mij gevraagd wordt deze column te verzorgen.) Maar voor ik ga steigeren, moet mij eerst iets van het hart: ik heb het mis, ik zit er goed naast.

Zeker, ik ben geen WIJ; ik ben IK. En deze ‘ik’ is dikwijls in de contramine, staat het liefst naast de zijlijn. Toch snap ik wel dat ik ben gevraagd; want ik ga door daar waar anderen stoppen. Ik barst van de identiteiten, u trouwens ook, als u eerlijk bent.

Ter voorbeeld: Ga ik naar de moskee, ben ik een moslim. Sta ik op het voetbalveld, ben ik een voetballer. Zit ik in een bar tegenover een schone brunette, ben ik Mohammed…, pardon, ben ik een man. Ben ik uitgenodigd voor te lezen op een poëzieavondje in een muffig Limburgs zaaltje voor anderhalve paardenkop, voel ik me een mislukt dichter voor wie het hoog tijd is uit de branche te stappen. Word ik uitgenodigd bij NOVA, moet ik de rol vervullen van geslaagde Marokkaan die het opneemt voor de niet-geslaagde Marokkaan. En valt de energierekening van Eneco op m’n deurmat en pluis ik alle tabellen door op eventuele foutjes en voordeelbundeltjes, dan voel ik me een volbloed Nederlander.

In al die rollen, kan ik u zeggen, voel ik me niet thuis. Of liever: ik voel me er tijdelijk in thuis – een uur, misschien een dagdeel, niet langer. Ik heb geen zin (en ik kán het ook niet) de ganse week de moslim uit te hangen, nog minder de hele dag Nederlander te zijn. Dat is best vermoeiend. Het allerergste is om het hele jaar voor kunstenaar door te gaan – dan weet je zeker dat je huisbaas je vanwege huurachterstand op straat zet. Wáár ik ben, wát ik op dat moment doe, dát bepaalt mijn identiteit. En deze varieert in alle schakeringen between heaven and hell.
Dus over welke WIJ hebben we hier het eigenlijk?

Laat ik niet flauw doen. Met een nieuw Wij’ wordt natuurlijk bedoeld dat er geen rivaliserende ‘WIJ’ – ‘ZIJ’ kampen zouden mogen bestaan. Er is één natievolk en die moet het binnen de geografisch bepaalde grenzen fijn en knus met elkaar hebben, met allemaal gelijke rechten, gelijke plichten én ongelijke deviaties. Natuurlijk mag er af en toe flink gebakkeleid worden, maar dat komt voor in de beste samenlevingen – zoals in de beste huwelijken gescholden wordt.

Wij zijn een natiestaat, we hebben één koningin, één premier, één volkslied, één oranjeteam, en bij voorkeur één God en één Ali B. Maar wat nu als die ene premier en dat ene volkslied en dat ene oranjeteam mij niet bevallen? Dan juich ik voor Maradona en niet voor Huntelaar, dan ben ik fan van Chavez en niet van Balkenende, dan ben ik verzot op de rapper Mos Def, en niet op Ali B.

Maar dit is allemaal geredeneerd vanuit mijn eigen, kleine ‘ik’. Het wordt natuurlijk anders als we institutioneel of liever constitutioneel naar Nederland kijken. Het wordt anders als we politiek bedrijven. Dan gelden andere normen en codes. Dan is het hoegenaamd een kwalijke zaak als moedwillig het mes wordt gezet in de eigen bevolking. Als willens en wetens vijandige kampen worden gecreëerd, als parlementariërs of burgemeesters reppen in termen van ‘wij’ versus ‘zij’. Als er, met andere woorden, bewust wordt gepolariseerd. Zo is het uiterst curieus dat een leider van de zogenaamde sociaal-democratie een pleidooi houdt voor polarisatie. Deze leider begrijpt zijn taak niet. Er is een groot verschil tussen een politiek debat en een intellectueel debat. Intellectuelen en kunstenaars mogen of moeten zelfs polariseren; het is de taak van columnisten, opiniemakers, kunstenaars, cabaretiers om de grenzen van het fatsoen op te zoeken, om te beroeren, te shockeren, en, zonodig zelfs tweespalt te zaaien – maar altijd zonder de eloquentie, de argumentatieleer én, bij voorkeur, de esthetiek uit het oog te verliezen.

Een politicus heeft een volstrekt andere rol. Een goede politicus zoekt naar verbindingen en dwarsverbanden. Dat doet hij met tact en verzoening. Hij moet perspectieven bieden, kansen scheppen en oplossingen aandragen voor de pijnpunten die intellectuelen aanstippen. De ware politicus zoekt naar de grote gemene deler – daar waar de meningmakende querulant op de afwijkingen hamert.

Nu hadden we zo’n politica, Ella Vogelaar. Ella stond met de kaplaarzen in de modder van de wijken, ze werd op handen gedragen door buurtbewoners en ze begreep dondersgoed haar opdracht: het zaakje bijeen houden. Haar devies was dan ook: wij zijn samen een, we moeten het met elkaar doen. Zo opperde zij dat het goed mogelijk is dat over enkele eeuwen Nederland joods-christelijk-islamitische wortels zal hebben. Alle historici, cultuursociologen en migratieprofessoren zullen zeggen dat dat een juiste opmerking is. Maar Ella werd in ons hoogstaand integratiedebat weggezet als een ‘softie’ die liever ‘kopjes koffie’ drinkt met migranten.

Ella begreep haar politieke opdracht, maar één ding begreep ze niet: dat ze gedropt is in het verkeerde klimaat, aangesloten is bij de verkeerde partij, met aan het hoofd de verkeerde leider. Ella stak haar middelvinger naar de tijdgeest maar die tijdgeest werd haar ten slotte fataal.
Wat is dat eigenlijk voor een tijdgeest?

Daar valt veel over te zeggen, maar ik denk dat hij niet kernachtiger is uitgedrukt dan door een Volkskrant-enquête van een paar jaar terug. Onder de lezers van de ooit links te boek staande kwaliteitskrant werd gevraagd wie zij vinden dat (volgens hen?) de titel ‘Nederlander Van Het Jaar’ verdient. Misschien weet u de uitslag niet meer, maar ik ben die uitverkiezing nooit vergeten.

op nummer 1 Rachel Hazes (de vrouw van André),
op nummer 2 Rita Verdonk
op nummer 3 Geert Wilders
op nummer 4 Sylvie Meis (vriendin van voetballer Raphael van der Vaart).

Nu mensen, we hebben geen Esperanto nodig om een Wij te willen zijn. Al eeuwenlang bevruchten culturen elkaar, in de liefde, in de kleding, in de bouwkunst, in mores, en in de taal. Onze Vader des Vaderlands, Willem van Oranje, blijkt uit een recent onderzoek (Leidse universiteit) de laatste twee jaar van zijn leven een praktiserende moslim te zijn geweest; Yusuf Ibrahim van Oranje Nassau heette die. En onlangs verscheen een boek van Marlies Philippa, waarin ze de omvang van Arabisch-islamitische leenwoorden in het Nederlands in kaart brengt. De schellen vallen van je ogen als je ziet hoeveel islamitische woorden de Nederlanders hebben gejat, pardon, de Nederlandse taal hebben verrijkt.

De koffie die Ella graag dronk in de moskee, stamt bijvoorbeeld rechtstreeks uit Jemen. En als u dacht dat alcohol, algebra, katoen, admiraal, albatros, alchemie, tamboerijn, rijst, satijn, sorbet, matador, limonade (en nog zo’n 400 begrippen) Nederlandse woorden zijn, dan moet u dit boek beslist nog vandaag aanschaffen.

Daarom luidt mijn devies aan Eberhard van der Laan: leest u aub wat meer boeken en wat minder kranten, dan komt het vast wel goed met dat nieuwe WIJ.

benzikavierk

Mohammed Benzakour

Schrijver en columnist

Mohammed Benzakour (Marokko, 1972) is naast schrijver ook columnist, journalist en imker. Als eigenzinnig opiniemaker stelt hij regelmatig …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.