De groepsbelediging waar die politicus nog maar net voor veroordeeld is, spuit hij zonder enige terughoudendheid met alle kracht de zaal van de Tweede Kamer in. En er is geen voorzitter of een parlementariër die nu ingrijpt. Ben ik boos? Voel ik mij verdrietig? Ik ben zo’n ‘afschuwelijke’ Marokkaanse die een bedreiging vormt voor mijn eigen samenleving. Ja, mijn eigen samenleving. Holland is immers ook van mij.

Toen Nederland mijn vader tientallen jaren geleden nodig had voor haar fabrieken of in de bouw, verliet hij zijn geboorteland om dit koude landje aan de Noordzee aan de slag te gaan. Mijn moeder verruilde de Marokkaanse havenstad waar zij haar jeugd had doorgebracht voor een eenzaam bestaan in dat kleine provinciestadje in de Gelders Achterhoek. De taal sprak zij niet, vriendinnen waren moeilijk te vinden. En zij miste natuurlijk haar familie, heel ver hier vandaan. Ze moest het rooien met dat magere salaris dat aan het einde van de week door vader werd thuisgebracht. Maar zij heeft het gered. Met mijn broertje en mijn zusjes ging ik naar de Sint Joseph basisschool. En daarna vond ik mijn weg stap voor stap van opleiding naar opleiding naar de plaats waar ik nu ben aangeland. Mijn moeder zorgde er voor, ze lag er krom voor, dat ik mijn diploma’s ging halen. Voor de toekomst van haar kinderen was zij immers naar Nederland gekomen.

Rotte appels

Ja, ik spreek gewoon Nederlands. Wel met een tikkeltje van een Achterhoeks accent. Maar dat maakt mij nog meer Hollands. Toch blijf ik dus die ‘bedreiging van de Hollandse cultuur en doe ik afbreuk aan “onze” normen en waarden’.

Ook het afgelopen jaar mocht ik in mijn werkkring binnen het onderwijs opnieuw tientallen leerlingen begeleiden op weg naar hun beroepsopleiding of hun academische vervolgstudie. Allemaal toekomstige burgers met professionele kwalificaties, de toekomst van mijn land. En ook mijn eigen kinderen, in dit lastige coronajaar, vervolgden door hard hun best te doen de weg naar het einddiploma.

Toch wordt opnieuw geroepen dat ‘er minder van mijn soort moeten komen’. Ben ik boos, ben ik verdrietig? Ik voel mij soms lamgeslagen. Ben ik nog wel in staat mijn kinderen uit te leggen waarom zij niet gewenst zijn? Omdat er binnen onze gemeenschap rotte appels zitten? Elke gemeenschap kent haar rotte appels.

Binnen het gesprek tussen Moslims en Joden probeer ik samen met anderen al heel lang om die Moslimhaat die zo breed gepredikt wordt in ons land geagendeerd te zijn. Maar we krijgen het niet op de landelijke agenda geplaatst.

Moslimhaat mag niet benoemd worden. Daarom wordt dat woord ook nooit gebruikt. We spreken alleen maar over ‘Islamofobie’. Fobie, de angst voor de Islam. Terwijl het in wezen gaat om haat tegen de moslims. Net als antisemitisme een uiting van Jodenhaat is, zo is in ons land wat te boek staat als Islamofobie, gewoon Moslimhaat.

Volgens de cijfers van 2019 werden er dat jaar bij de anti-discriminatievoorzieningen 4.382 incidenten gemeld. Meer dan 4000 in één jaar in ons land. Dat is meer dan 10 per dag. Daarbij zitten er meerdere die gerelateerd zijn aan moslimdiscriminatie. En dan hebben we het alleen maar over de meldingen. Niet over de feitelijke discriminatie-ervaringen die een veelvoud vormen van de relatief weinige meldingen die er worden gedaan.

Maar de haat tegen mijn kinderen, mijn ouders, mijn familie en al die overige geloofsgenoten mag ongehinderd plaats blijven vinden. Discriminatie op de woningmarkt vindt niet meer weerstand dan opgehaalde schouders. Moslimhaat op de arbeidsmarkt is geen belemmering ook voor onze eigen overheid om gewoon zaken te blijven doen met die bedrijven die zich daar schuldig aan maken. Onze Kamerleden luisteren er met open oren naar, zonder een enkel weerwoord.

Het gebral gaat door

Talloze incidenten per jaar tegen Moslims. En toch heeft de politie recent bekend gemaakt dat deze incidenten niet langer afzonderlijk worden geregistreerd. Het gaat op de grote hoop van discriminatie. Anders dan de anti-Joodse incidenten, die overigens in veel mindere mate plaats vinden. Maar aan het Haagse Binnenhof, waar alle politieke lijnen van ons hele land samen komen, gaat het gebral onderhand gewoon door.

Ik ben boos, het maakt me verdrietig. Maar dan kijk ik toch ook om me heen. Ik zie die rotte appeltjes. Daarbij vergeet ik vooral niet dat deze aan de rand van onze samenleving verblijven. Een samenleving waar de massa met, wat nog steeds zo genoemd wordt, een emigratieachtergrond hecht geworteld is binnen ons mooie Nederland en zich daar krachtig mee verbonden voelt. En dat is ook logisch. Nederland is immers ook ons land. Ik kijk om me heen en zie mijn dierbare vrienden van buiten onze moslimgemeenschap die veel voor mij betekenen en voor wie ik ook veel mag betekenen. Vrienden die helemaal niets willen weten van vooroordelen, discriminatie, uitsluiting, laat staan van haat.

Ondanks dat onzinnige en kwalijke gebral dat er de oorzaak van is dat de haat tegen ons maar niet geagendeerd mag worden. Laat staan dat het wordt bestreden. Meer dan 10 incidenten tegen moslims op elke dag van het jaar. Doen wij het verkeerd of doen zij het verkeerd? Nee, wij doen het niet verkeerd. Zij, die brallers kennen ons niet eens.

Een recent onderzoek van fotograaf Cigdem Yuksel met onderzoeker Ewoud Butter naar de foto’s op de beeldbank van het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP) toont aan dat dé Nederlandse moslima gesluierd en passief is en je vindt haar vooral op straat, op de markt of tijdens het winkelen. Onder de zoekterm ‘moslima’ is dat wat tevoorschijn komt. De woorden die vaak worden gebruikt als omschrijving bij de foto’s komen deels niet overeen met wat er feitelijk is te zien op een foto, maar refereren aan politiek-maatschappelijke debatten (inburgering, integratie, allochtoon) of politieke frames (islamisering) waarmee moslima’s voornamelijk als ‘de ander’ worden neergezet.

Moslima’s zijn op de foto’s zelden zichtbaar als burgers die actief bijdragen aan de samenleving (bijvoorbeeld werknemer, leidinggevende, vrijwilliger), maar ook niet als mensen in hun eigen sociale omgeving, zoals een moeder die haar kind helpt met huiswerk maken of ouders die hun pasgeboren baby knuffelen in het ziekenhuis. Moslima’s die gefotografeerd worden terwijl ze werken zijn opvallend vaak kassière.

Kinderen

Zo worden wij geportretteerd, zo wordt een beeldvorming over ons gecreëerd. Met dat beeld neemt een goed deel van de samenleving om mij heen genoegen. En dan is het niet verwonderlijk dat fobie en haat in alle vormen en in alle lagen van de maatschappij welig kan tieren.

Mijn boosheid, mijn verdriet kan ik wel van me afzetten. Omdat ik weet wat de waarheid is en wie wij werkelijk zijn. Maar ik heb kinderen, en insh’Allah krijgen zij kinderen. Hoe moet het daar mee? Groeien die ook nog steeds op te midden van een bevolking die hen haat? Mijn Nederland doe hier iets aan. Voor het te laat is.

Fatima Akalai en Lody van de Kamp zijn beiden lid van Amsterdam Inclusief, een achttal ‘meedenkers’ voor en met de gemeente Amsterdam. Tevens zijn ze oprichters van ‘Prisma, de stap door het integratieplafond’.

U kunt gratis verder lezen

Klik deze melding weg via het kruisje. Maar goede artikelen schrijven kost geld. Steun daarom onze schrijvers en word al vanaf € 5 per maand Vriend/in van Nieuw Wij.

Ik lees eerst het artikel verder.
Fatiama Akalai. foto.01

Fatima Akalai

Fatima Akalai (1976) heeft een coördinerende staffunctie binnen het MBO onderwijs. Als lid van Amsterdam Inclusief en drijvende kracht …
Profiel-pagina
Al 10 reacties — praat mee.