De eerste zes hoofdstukken worden naar religie christendom, jodendom en islam verdeeld en binnen het christendom naar denominatie. Nog steeds blijkt dat confessionele identiteit de bepalende factor is in de theologie en tegelijkertijd is het bewustzijn gegroeid dat God zich niet laat opsluiten in één context of confessie. De daaropvolgende thematische hoofdstukken (7 t/m 17) bevatten Interreligieuze dialoog, christelijke feministische theologie, Latijns-Amerikaanse bevrijdingstheologie, Black Theology, Afrikaanse theologie, Aziatische theologie en ten slotte bevrijdingstheologie in de context van het Midden-Oosten.

Daarnaast biedt het boek inleidingen en theologische stemmen die de Bijbels-hermeneutische theologie, de Angelsaksische en continentale filosofische theologie, en tenslotte praktische pastorale theologie representeren. Dit vanuit de observaties dat ten eerste het belang van hermeneutiek in de theologie is toegenomen, ten tweede dat het debat over de relatie tussen natuurwetenschap en theologie dreigt te stagneren, maar juist door Engelse theologen wordt gevoed; en ten derde dat praktische pastorale theologie het belang van het christelijk handelen en van empirisch onderzoek naar voren schuift en het noodzakelijk engagement van de theologie benadrukt.

Samenhang in het geheel wordt geboden door inleidingen die de denominaties en de theologische thema’s bespreken. Dat is voor de betrokken inleiders een tour de force geweest, want zij moesten in een paar bladzijden een theologische ontwikkeling van een wereldwijde denominatie of van een geheel continent weergeven. En zij weten hoe gemakkelijk de stuurlui aan de wal roepen dat er iets gemist wordt. Dat zegt meteen ook iets over de gehele onderneming van het boek: je moet het lef maar hebben om een staalkaart van theologische stromingen te presenteren. Hoe dik het boek ook wordt, het is altijd beperkt en de selectie kan altijd aangevochten worden. Maar de hier geboden selectie is met open vizier gemaakt en verantwoord. Theologie moet wereldwijde communicatie zijn waarvan niemand is uitgesloten (p.25) en echte oecumene is daar te vinden waar verschillende confessies en denominaties erkennen, dat de essentie van het christelijk geloof bij de ander te vinden is (p.29).

En passant teken ik ook een paar uitspraken op, die de constanten in de theologische ontwikkelingen van de laatste veertig jaar aanduiden. De theologie is zich bewust geworden van antisemitisme, kolonialisme en slavernij. Eveneens is het bewustzijn gegroeid dat er in de wereld van de Islam een waaier aan opvattingen bestaat en dat islamitische orthodoxie niet gelijkgesteld kan worden aan fundamentalisme. Wat betreft de christelijke theologie worden hoopvolle tendensen gesignaleerd: kerk en wereld zouden daarin minder gescheiden worden behandeld; verrassend is ook het bondgenootschap tussen Oosters-orthodoxe theologie en milieuspiritualiteit; de 21ste eeuw wordt als eeuw van de communicatie tegemoet gezien en de voltooiing van de dekolonisatie nadert. Daar staat tegenover dat theologie moet waken voor nieuw provincialisme waarmee gedoeld wordt op het alleenrecht van Engelstaligheid.

Afbeelding1

Bij de bespreking van een dergelijk omvangrijk boek ga ik vooral na hoe het gebruikt zal worden in de praktijk. Ik denk dat er verschillende groepen gebruikers te onderscheiden zijn. Ten eerste zij die het boek ter hand nemen om hun reeds aanwezige kennis over een bepaalde theoloog te toetsen en aan te vullen (en wie weet ook even te controleren of de geboden weergave wel klopt!). Ten tweede zij die graag van allerlei stromingen in de nieuwere theologie iets willen proeven en door het boek heen grasduinen. En ten derde zij die zich door nieuwsgierigheid naar het onbekende laten leiden en juist die theologen opzoeken over wie zij nog niets of bijna niets weten.

Een zeer welkome en bevrijdende boodschap ontving ik gelukkig daarbij van Wilken Veen, namelijk dat ik niet alle hoofdstukken hoefde te bespreken, maar met een gerust gemoed mijn eigen keuze daaruit zou mogen maken. Gezien mijn inleving in het mogelijk gebruik van dit boek, zal ik mij dus beperken tot vier korte schetsen, tweemaal passend bij auteurs in wie ikzelf behoorlijk ingelezen ben: Sallie McFague en Rosemary Ruether (pp. 416-430) en tweemaal auteurs van wie ik weinig wist: Kazoh Kitamori (pp.564- 569) en Mitri Raheb (pp.588-593).

Vier leeservaringen

Sallie McFague

Mariecke van den Berg schrijft in haar introductie tot de christelijke feministische theologie dat deze theologie zich kenmerkt door onder meer een grote aandacht voor de rol en de macht van taal. Dat geldt zeker voor Sallie McFague (1933-2019). In haar feministische ecotheologie is de wereld het lichaam van God. Bij zulke uitspraken (de wereld is het lichaam van God) moeten we meteen bedenken dat McFague de theologie als door en door metaforisch ziet en dat de is-uitspraken ook altijd een ‘is-niet’ behelzen. Zo behoudt de theologie haar verrassende kracht. Uitgebreide metaforen zoals Jezus’ gelijkenissen kunnen samen een model vormen, bijvoorbeeld het model van het Koninkrijk Gods. En uiteindelijk kan daarop ook conceptuele taal gebaseerd worden, maar de basis voor de verrassing en de vernieuwing blijft toch de metaforische taal. Die insteek maakt het mogelijk dat vrouwen, zwarten, armen en monddood gemaakte mensen hun ervaring en hun taal toevoegen en protesteren tegen patriarchale en onderdrukkende, onzichtbaar makende taal.

09 X pag17 Sallie McFague
Sallie McFague

Aan deze taalgevoeligheid koppelt McFague in de jaren tachtig een gevoel van urgentie vanwege nucleaire en ecologische bedreiging van de aarde. De aarde is niet de Bühne voor de geschiedenis van de mens, maar een wonderlijk geheel van wederzijds afhankelijke organismen. De mens moet haar met deemoed en respect benaderen. Het verbaast dan ook niet dat de incarnatie, Gods wezenlijke verbinding met de materie, een kerngedachte voor McFague is.

Hierbij wordt een fragment gekozen uit The Body of God 1993. Ik wil daar een zin uit citeren omdat die voor mij het kloppend hart van de theologie zo stralend weergeeft. Het gaat om een aantekening bij Exodus 33, 23b waar God tegen Mozes zegt: “En gij zult mij van achteren zien, maar mijn aangezicht zal niet gezien worden.”(NBG 1951). McFague schrijft daarbij: “De passage verenigt lef en luister, vlees en geest, het menselijke en het goddelijke, en alle andere schijnbare dualismen met een roekeloze ‘Spielerei’ die iets van het hart van de Hebreeuwse en christelijke traditie aanduidt…” Voor mij is dat theologie: een roekeloze Spielerei, met precisie uitgevoerd en met grote consequenties voor het menselijke, het goddelijke en het wereldlijke.

Wat is de leesvrucht van een dergelijke inleiding en fragment van McFague? Op mij werkt het opnieuw bevestigend en aanstekelijk. Het geeft opnieuw de tools in handen voor de tijden dat ik weer te lang en al te veel onzin heb aangehoord over de hermeneutische insteek en de inzet op metaforisch spreken, alsof dat niet naar waarheid zou zoeken, alsof dat tot relativisme zou leiden, alsof dat niet ontvankelijk voor de goddelijke stem zou zijn. Tevens word je door een dergelijke weergave teruggedreven naar McFagues werk, omdat je iets wilt checken. Maakte McFague geen onderscheid tussen de aarde en de wereld? Is de aarde gelijk aan de natuur en is de wereld niet het jammerdal dat wij mensen ervan gemaakt hebben? En dat is dus een verdienste van dit boek: het zet je aan tot checken en aanvullen van je theologische bagage. En ja ook af en toe tot een glimlach omdat je op een theologisch raspaard hebt gewed. McFagues theologie zou, ook al schreef zij dertig tot veertig jaar geleden, zeker een theologische verdieping aan de zorgethiek, aan #MeToo en Black Lives Matter kunnen geven.

Rosemary Radford Ruether

De katholieke theologe Rosemary Ruether behoort tot de koplopers van de feministische theologie en haar boek Sexism and God Talk (1983) markeerde de doorbraak van de feministische theologie als academische discipline. De inleiding op haar werk in De moderne theologen is sterk biografisch gekleurd, waarschijnlijk omdat zijzelf een autobiografie schreef. Daardoor leert de lezer wel haar achtergronden, maar wat minder diepgaand haar theologie kennen. Nieuw voor mij was, dat zij in 1965 al betrokken raakte bij de strijd voor burgerrechten van Afro-Amerikanen.

July2010 097b
Rosemary Radford Ruether

Het tekstfragment dat hierbij werd gekozen, Ruethers Kuyperlezing uit 1980, behandelt de christologische vraag of een mannelijke heiland wel de redder van vrouwen kan zijn. De priesterwijding van vrouwen wordt tegengehouden, omdat er een fysieke gelijkenis moet zijn tussen Christus en de priester. Logisch doorgeredeneerd zou een Chinees, een zwarte of een Hollander volgens Ruether ook geen priester kunnen zijn, maar kennelijk is alleen het mannelijk-zijn voldoende om een fysieke gelijkenis met Christus te vertonen. Kunnen vrouwen ooit een heilsboodschap ervaren in een christologie die zo is ingekapseld door het patriarchale denken? Moet de Christus per se en wezenlijk strikt uitsluitend mannelijk zijn? Ter beantwoording van die vraag biedt Ruether drie typen van christologie aan: de heerser-Christologie, de androgyne christologie en de profetische radicale christologie. Het zal niet verbazen dat Ruether aan het laatste type de voorkeur geeft. Het profetische messianisme sluit vrouwen niet op in hun lichamelijkheid, noch in een ideologische abstractie van de vrouw als pure naastenliefde of als pure ontvankelijkheid. Vrouwen en mannen worden door Christus aangesproken als personen, die in een sociaal en cultureel web van rollen verwikkeld zijn maar daarin niet gevangen zitten.

Wat is de leesvrucht van een dergelijke inleiding en tekstfragment van Ruether? Ik hoop dat de lezers Ruethers eigen werk ter hand gaan nemen en daarbij niet te snel concluderen dat Ruethers werk achterhaald is. Ruethers nadruk op vrouwen als de minstbedeelden onder de armen roept immers een vraag op, die een generatie na Ruther veel vlammende betogen heeft opgeleverd. Het gaat dan om de vraag of de onderlinge kleur- en klassenverschillen tussen vrouwen niet veel groter zijn dan in de stormachtige beginfase van de feministische theologie werd onderkend.

Kazoh Kitamori

Het is voor de inleiders van deze hoofdstukken voorwaar geen kleinigheid geweest om een geheel veld als dat van de Afrikaanse of Aziatische theologie in enkele pagina’s te presenteren. Het was voor mij in ieder geval behulpzaam om Samuel Lee’s inleiding te lezen, waarin hij enige basisbegrippen uit het Japanse christendom uitlegt, alvorens ik mij wendde tot Kazoh Kitamori.

Samuel Lee besteedt veel aandacht aan de Japanse cultuur, waarin wa (harmonie), uchi-soto (binnengroep– buitengroep) en giri (sociale wederkerigheid) een grote rol spelen. De Japanse visie op specifiek religieuze zaken zoals zonde, voorouderverering, kami (god of goden) stelt diepgaande vragen aan de christelijke theologie. Japanners hebben hun eigen manier ontwikkeld om het shintoïsme, het boeddhisme, het confucianisme en het christendom naast elkaar te laten bestaan. Ritueel, cultuur en religie zijn in Japan nauw verweven en voor ‘westerse’ mensen niet zomaar te begrijpen. Zo is het expliciet christelijke huwelijksceremonieel heel populair in Japan en bezoeken vele niet-religieuze Japanners de tempels van allerlei richtingen met Nieuwjaar. Christendom in Japan dient een delicate balans te bewaren tussen particulariteit en het Japanse wantrouwen tegenover een exclusief commitment aan één religieuze richting.

Mooi, daar heb je als lezer houvast aan. En in het willen overstijgen van bepaalde vormen van provincialisme is het ook goed om er op te wijzen, zoals Lee doet, dat christendom in Japan niet enkel als product van westerse dominantie te beschouwen is. Immers, wie het als zodanig beschouwt, maakt het eigene van een Japanse theologie tot louter een reactie op het koloniale pad.

Kitamori was van 1949-1984 hoogleraar systematische theologie aan het Tokyo Union Theologisch Seminarium van Tokyo. Hij werd bekend door zijn boek Theology of the Pain of God uit 1946, kort na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki. Het verscheen pas veel later (1965) in de USA. Kitamori wordt getekend als iemand die in de lijn van het patripassianisme staat: Gods ervaart pijn, de pijn van het kruis, een pijn die voortkomt uit woede en liefde. Woede om wat aan zijn Zoon Jezus wordt aangedaan als hij als outsider buiten de stadspoorten wordt gekruisigd. Daarmee verzet Kitamori zich tegen de heersende gedachte over de apatheia van God. Gods wezen wordt getekend met behulp van de Japanse term tsurasa, dat de verscheurende emotie weergeeft van iemand die zelfmoord of moord op een geliefde pleegt om een ander te redden. Gods woede en wraak worden gesmoord in Gods liefde. Sigrid Coenradi suggereert dat Kitamori hierbij mogelijk gedacht heeft aan de moeders van de Japanse kamikazepiloten. Jezus was een personificatie van Gods pijn. Toch is er een verschil tussen Jezus’ opofferende pijn en de pijn die God voelt als verscheurende pijn van woede en liefde.

De van huis uit niet-christelijke Kitamori kwam met het christendom in aanraking via een vertaling van Jeremia 31 van Maarten Luther. Daarin wordt Gods hart gebroken; de God van de woede over de ongerechtigheid strijdt met de God van de barmhartigheid. God worstelt met zichzelf. Het lijden van de mensen is daarmee verbonden. Voor Kitamori vormt de pijn die wordt ondergaan ter wille van de medemens een analogia doloris van de pijn die Gods wezen vormt. Deze theologie kan niet een theologie van gevierde kampioenen zijn en dus wilde Kitamori ook niet dat zijn theologie een mainline theologie zou worden. Niettemin heeft zijn gedachtegoed een bredere lezerskring bereikt onder meer doordat Moltmann naar Kitamori verwees in zijn Der Gekreuzigte Gott.

Dan volgen er vier goed gekozen pagina’s uit Theology of the Pain of God, waarin eigenlijk nog een radicalere patripassianisme wordt beschreven dan in de inleiding: de dood van Christus is de dood van God zelf. De meest urgente taak van de kerk is de verwondering en de schok over dat bericht weer tot de kern te maken. Het is niet zo, dat God tegen zijn natuur in een noodmaatregel trof toen hij Christus liet sterven vanwege de zonde van de mensen. Maar het is Gods diepste wezen pijn te lijden en te sterven. Kunnen we dat uitdrukken met filosofische woorden als ‘ousia’ en ‘substantia’? Of staan die veel te ver van de Bijbelse begrippen? Misschien kunnen we beter zeggen: in de pijn zie je Gods ware hart. De Japanse theologie moet werk maken van dat concept van God. Er moet geen enkele schaamte zijn over een theologie van het kruis. God communiceert door menselijke pijn. De bitterste pijn die we ons kunnen voorstellen, namelijk van een vader die zijn zoon laat sterven.

Vraag: gebeurt hier datgene wat we als vrucht van een dergelijk boek hopen, namelijk dat we er meer van willen weten? Dat het prangende vragen oproept, een begin van bijval en tegenspraak maar vooral ook een zucht naar verder, dieper, hoger? Dat is wel mijn leeservaring. De woorden van Kitamori gaan niet alleen over pijn, maar ze doen ook pijn.

Mitri-raheb-1318659616
Mitri Raheb

Mitri Raheb

De samenstellers van het boek onderstrepen tot twee maal toe het belang van Palestijnse bevrijdingstheologie. Deze Palestijnse theologie zet volgens hen álles op scherp. Dat is ook mijn ervaring. De inleiding op hoofdstuk 13 komt van Pieter Dronkers die kundig alle belangen in het Israëlisch-Palestijnse conflict beschrijft en de basisgedachte van de gerechtigheid zoals die leeft onder Palestijnse bevrijdingstheologen verwoordt. Het gaat om gelijke democratische rechten voor alle inwoners van het ‘Heilige Land’, een eigen Palestijnse staat en erkenning voor en herstel van het onrecht van de Nakba (‘de catastrofe’, p. 578).

Tegen die achtergrond schrijft Mitri Raheb. Hij richtte een belangrijk onderwijsinstituut in Bethlehem op, waar hij als Luthers theoloog en pastor woont. Hij was één van de auteurs van het Kairosdocument uit 2009, de aanklacht tegen het lijden van het Palestijnse volk en de oproep om elke theologie die dit lijden rechtvaardigt uit te bannen. De Palestijnen zijn eeuwenlang door verschillende empires bezet en herkennen zich in Jezus’ strijd daartegen. Zij identificeren zich met het bijbelse ‘volk van het land’ dat niet in ballingschap werd gevoerd. Rahebs theologie, één van de meest radicale stemmen uit de Palestijnse theologie, roept verzet op, daar waar hij zich kritisch uit over de realiteit van een Joodse identiteit. Ook schrijft hij afwijzend over liberale protestanten die geneigd zijn het hele Midden-Oosten en de Arabische wereld als primitief en totalitair te zien en over dialoogtheologie die te veel boven het leed van de Palestijnen uit zweeft. Met gevoel voor understatement stelt Marcel Poorthuis dat het wel zeer opvallend is dat iedere verwijzing naar de Shoah en naar het nazisme als totalitair regime ontbreekt.

Het gekozen tekstfragment van Raheb gaat over de deemoedigen die het land Palestina zullen beërven (Matteus 5,5). Hij wil die tekst niet spiritualiseren, maar concreet opvatten. Jezus moet zich hebben vergist, want het zijn niet de deemoedigen, maar de machtigen die het land bezet houden. En als men terugkijkt in de geschiedenis, is het altijd weer een andere grootmacht geweest die het land bezette, tot op het huidige Israël. Israël staat in het rijtje Assyriërs, Babyloniërs, Perzen, Romeinen, Ottomanen, kruisvaarders en Britten. Pas als we zien dat Israël verbonden is met een lange rij bezettende grootmachten, kunnen we volgens Raheb de woorden van Jezus verstaan. Immers, uiteindelijk zal ook deze grootmacht, net als al die anderen, weggeblazen worden. Zo onvoorstelbaar als het in Jezus‘ tijd was dat er ooit een einde zou komen aan de Romeinse overheersing, zo onvoorstelbaar is het misschien nu voor Palestijnen dat zij ooit bevrijd zullen worden. Maar op het moment dat Jezus dit uitsprak, werd de macht overgeheveld naar het volk van het land.

Vraag opnieuw: gebeurt hier datgene wat we als vrucht van een dergelijk boek hopen, namelijk dat we er meer van willen weten? Dat het prangende vragen oproept, een begin van bijval en tegenspraak, maar vooral ook een zucht naar verder, dieper, hoger? Je krijgt bij Mitri Raheb het gevoel dat je je vingers gaat branden en dat je er tenminste andere Palestijnse theologen bij moet lezen, maar ook dat theologie niet vrijblijvend is en dat je concreet moet durven zijn. Ook zo kan het werken.

Missie geslaagd?

Is de missie van dit boek om Nederland te bevrijden van het theologisch provincialisme geslaagd? Het boek is genereus in zijn rijke en rijkgeschakeerde aanbod, het boek is eerlijk in gemaakte keuzes en selecties, het boek overschrijdt de Nederlandse grenzen op een uitnodigende manier. Theologische honger stillend, roept het overal nieuwe theologische trek op. Mission completed, missie voltooid, zou ik zeggen met bewondering voor de redacteuren Marcel Poorthuis en Wilken Veen. En nu moeten de lezers maar laten zien dat de mission ook fullfilled, vervuld wordt.

Marcel Poorthuis en Wilken Veen, De Moderne Theologen. Perspectieven op de 21ste eeuw,  Amsterdam: Boom 2022, 800 pag.

mechteld

Mechteld Jansen

Mechteld Jansen is hoogleraar theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit (PThU).
Profiel-pagina
Al één reactie — praat mee.