Als ik terugkijk op de verschillende levensfases die ik heb gehad, zie ik ook de manieren waarop ik ben omgegaan met mijn culturele achtergrond. Er was de fase van zelfspot, waarin ik vooral veel grapjes maakte over mijn Marokkaans-zijn, met als onuitgesproken clickbait: tja… Marokkanen. Daarna volgde de periode waarin ik me verschool achter mijn religie. Ik was op de allereerste plaats moslim, Nederland en Marokko waren voor mij gelijk, maar ik leefde hier, dus ja.
Vervolgens kwam de ik-ben-Nederlands-met-roots-in-Marokko-fase, een formulering die altijd nét genoeg ruimte liet voor de strikvraag. Ik kon niet achteloos zeggen dat ik geboren en getogen was in Nederland, dus zei ik dat ik twee was toen ik hier kwam en er eigenlijk niets meer van wist. Die wereldwijde obsessie met geboortegrond bepaalde intussen wel dat mijn kinderen automatisch in de categorie allochtoon belandden, zoals het CBS dat noemt.
Daarna noemde ik mezelf Riffijns en Amazigh, op zoek naar woorden voor de verboden liefde die ik voelde voor mijn Marokkaans-zijn, en voor een geschiedenis die langer teruggaat dan het integratiedebat.
Terwijl mijn ouders droomden van een terugkeer naar Marokko, ooit, droomde ik over een volwaardige plek in de samenleving en misschien een vakantiehuisje in Frankrijk, Spanje of Turkije. Marokko was immers het land van mijn ouders, niet het mijne.
De afgelopen jaren is dat verschoven. De herrezen trots rond het nationale voetbalelftal speelde een rol, maar vooral de geboorte van mijn kinderen veranderde alles. Ik leerde hen dat ze overal bij mogen horen, ook wanneer ze al jong gevraagd worden of ze nu Turks of Marokkaans zijn, terwijl hun Nederlandse roots nauwelijks ruimte krijgt. Ik leer mijn kinderen dat ze hun identiteiten volledig mogen claimen, niet in kwartjes of helften, maar helemaal, en daarmee zeg ik ook over mezelf: ik ben honderd procent Marokkaans en ik heb mijn hele leven opgebouwd in Nederland, het land dat ik ken, doorleef en draag.
Maar ik wil niet leven in een land waar in de Tweede Kamer ongestraft over het repatriëren van Marokkanen wordt gesproken, alsof het een beleidsmatige bijzin betreft en geen aanval op bestaansrecht. Zulke woorden raken mij, en velen met mij, in de kern en voeden dat kleine stemmetje dat fluistert dat je misschien moet nadenken over een plan B. Soms is dat stemmetje zo aanwezig dat er ongevraagd een liedje in mijn hoofd blijft hangen, dat oude nummer van The Clash: Should I stay or should I go.
Hoe ongemakkelijk het ook is om dit te erkennen, heb ik dat stemmetje lang genegeerd. Toch heb ik onlangs mijn Marokkaanse papieren vernieuwd, gewoon, just in case. Niet omdat ik weg wil, maar omdat ik me steeds vaker afvraag of dit nog een land is waarin je onvoorwaardelijk mag blijven, of een land waarin bestaansrecht afhankelijk wordt van politieke windrichtingen, verkiezingsuitslagen en zinnen die achteloos worden uitgesproken maar diep snijden. Misschien is dat wel de meest pijnlijke verschuiving: niet de vraag waar ik heen zou kunnen, maar de vraag of ik hier nog mag zijn zonder voorwaarden.
Onlangs zag ik een item op de NOS over mensen uit Nederland die teruggaan naar Marokko, waarin iemand zei: ze komen hier wonen, maar die mensen zijn vreemden. Misschien heeft hij gelijk. Want ook al liggen daar mijn wortels, ik weet niet hoe ik daar echt zou moeten leven. Maar één ding weet ik zeker: ik hoef daar niet uit te leggen waar ik nu echt vandaan kom. Dan zeg ik gewoon: ik kom uit Brabant, Nederland, maar ik ben ‘gewoon’ van hier. Dar El Kebdani.
