Het is lang zo geweest dat verre reizen door de meeste bewoners van Nederland werden verafschuwd. Een rijke zeventiende-eeuwse koopman, wonend aan de Amsterdamse grachtengordel, peinsde er niet over om naar Bali te gaan. Dat was iets voor het uitschot van de samenleving. Hij bleef liever thuis. Behalve in de zomer, wanneer je vanwege de onwelriekende grachten de stad uitstonk. Ook al omdat in die tijd Amsterdam tot op flink wat kilometers van de stadsgrenzen te ruiken was, ging men graag een eind de stad uit. De voorkeur werd gegeven aan buitenhuizen in Kennemerland, langs de Vecht of in de Beemster. Er was in de Gouden Eeuw een handjevol avonturiers dat echt wat in verre reizen zag. Maar de overgrote meerderheid deed er bij voorkeur niet aan mee.

Door: Lucas Reijnders

Dat is nu ingrijpend veranderd. De bewoners van Nederland trekken in hun vakantie massaal het land uit. Bali is een gewilde bestemming. Voor een deel is dat te begrijpen. De kans dat je levend uit Bali terugkomt is nu ongeveer het dubbele van de 50% kans uit de zeventiende eeuw en de reis is niet meer een kwestie van vele maanden lang afzien.

Maar wat zoekt men eigenlijk in Bali of elders, ver weg? Er zijn reizigers die tijdens hun vakantie ‘onderduiken’ bij de plaatselijke bevolking. Veel allochtonen gaan naar hun familie in het land van oorsprong. Maar onder de autochtone Nederlanders zijn er maar weinig ‘onderduikers’, terwijl verkeren met de plaatselijke bevolking waarschijnlijk de enige manier is om een land goed te leren kennen. Toeristen die de vroegere avonturiers proberen te volgen, gebruiken veelal reisgidsen van het type Lonely Planet en komen vooral medelezers van hun reisgids tegen. Massatoeristen slenteren omringd door medetoeristen langs de bezienswaardigheden, net als op het Amsterdamse Rokin. Overal kom je – net als in eigen land – McDonalds en Coca-Cola tegen. Autochtone Venetianen hebben onder druk van de jaarlijkse miljoenen toeristische bezoekers hun stad grotendeels ontruimd. Het strand van Bali ligt vol verkleurende westerlingen, net als in Zandvoort. En veel toeristen worden ondergebracht in hotels die behoorlijk lijken op de hotels in eigen land, zo men al niet een soort eigen huis in de vorm van een camper meeneemt. En er wordt van vakantiebestemmingen veelvuldig naar huis gebeld. Als de plaats van bestemming voor degenen die niet bij de plaatselijke bevolking ‘onderduiken’ zoveel heeft van thuis, waarom dan toch weg?

Ik denk dat voor velen de belangrijkste reden is, dat men er toch even ‘uit’ is. En de vervelende kanten van het leven thuis voor een belangrijk deel kan ontlopen. Als dat zo is, dan is dat een curieuze vorm van vluchtgedrag. Niet veel beter verdedigbaar dan dat van de zeventiende eeuwse Amsterdamse kooplieden. Deze besteedden hun geld aan alles en nog wat, waaronder mooie schilderijen en buitenhuizen. Maar ze verzuimden een deel van hun geld te stoppen in schone grachten. Hadden ze dat wel gedaan, dan waren Amsterdammers in de zomer hun stad niet uitgestonken.

Lucas Reijnders is hoogleraar milieukunde aan de Universiteit van Amsterdam en de Open Universiteit, en is werkzaam bij Stichting Natuur en Milieu. Hij publiceerde bij Van Gennep onder meer ‘Reislust’ (2000) en ‘De Natuur’ (2003).

Nog geen reactie — begin het gesprek.