Lieve Saar,

ik noem je heel bewust ‘wereldburger’. Niet ‘Middelburger’, al ben je dat ook. En niet ‘gewone Nederlander die het Wilhelmus kan zingen’, want je bent nog net niet onder het gesternte van Rutte III geboren.

Wereldburger dus. Maar wat een ultieme kwetsbaarheid ben jij in die wereld. Een schreiend wurm. Dat je kunt bestaan! En als ik naar de wereld kijk, slaat de schrik me om het hart. Moet jij daarin leven? Natuurlijk, het is altijd zo geweest. Toen je moeder werd geboren, ruim vijfendertig jaar geleden, schreef ik het volgende gedichtje.

Je houdt het niet voor mogelijk
in deze grote, zotte
wereld:

zo’n kleine, ademende
pop
warm en levend in je armen.

Je houdt het niet voor mogelijk
en toch,
God bergt haar in zijn rijk:

engel op aarde,
voor altijd
onkwetsbaar.

Oeps! Wat schreef ik daar nou toch allemaal?
Meende ik dat nou? Geloofde ik dat echt?

Wat die ‘grote, zotte wereld’ betreft klopt het in ieder geval nog. Al denk ik dat ik nu grimmiger woorden zou kiezen. Is het omdat ik oud en moe ben dat alles me alleen maar killer en bedreigender voorkomt? Mijn hart draait om in mijn lijf als ik de beelden zie van de uit Myanmar verdreven Rohingya-moeders met baby’s als jij, die nergens heen kunnen dan die smalle, glibberige strook land tussen alleen maar water. Wat vaart er toch telkens weer in mensen dat ze elkaar dit aandoen?

Mensen stellen sowieso teleur. Wen er maar aan. Het is niet zo gek dat je opa een ouwe mopperkont is geworden, zoals je  moeder hem soms liefkozend noemt…

Nee, van de wereld word je niet vrolijk. Niet van Myanmar en niet van de wereld hier, waar de macht van het domme getal heerst en het narcisme van BN-ers in talkshows en… Nee, nee, ik zal niet gaan mopperen.

buik

Eerlijk gezegd hoop ik wel dat je een beetje lijdt aan de wereld. Er zijn teveel mensen met een gladde rug.

Maar vooral hoop ik dat je het leven zult drinken met volle teugen. Dat je volop verwonderd zult blijven over de schoonheid van diezelfde wereld, zoals je grote zus van net drie op de avond na je geboorte zich verwonderde over de haarfijn uitgesneden maansikkel. Dat je troost zult vinden in haar witte naaktheid, in de verrukkelijke eenzaamheid van de zee, de stilte van een mistig herfstbos. En in  die kleine kring van mensen die echt van je houden om wie je bent.

Wat schreef ik nou? God bergt haar in zijn rijk? Zou ik dat nu nog zo zeggen?

Weet je wat vreemd is? Toen ik dit gedichtje weer las drong het ineens tot me door dat ik het nog precies zo ervaar. Vreemd, omdat ik in zoveel dingen veranderd ben. Een theologische ontwikkeling heb doorgemaakt, zeggen we dan. Maar zulk jargon verdampt als ik jou zie liggen aan de borst van je moeder. In jou zie ik immers God zelf liggen. Als de zich eeuwig vernieuwende liefde.

Dat was toen zo en dat is nog steeds zo.

Toch is er één verschil. Toen geloofde ik dat wel, maar het was een angstig geloof. Bijna bezwerend. Ik moest er nog zo mijn best voor doen. Het verschil is dat ik het nu niet meer geloof, maar zeker weet.

Je was altijd al geborgen in God. Zoals dat zo mooi zichtbaar is in de foto van je zwangere moeder hierboven: geborgen. Dat was je en dat ben je nu en dat zul je altijd blijven, wat je ook ooit mag overkomen.

Daarom durf ik het gedichtje ook te besluiten met dat roekeloze woord: onkwetsbaar.

Engel op aarde, schreef ik. Natuurlijk ben  je dat. En ik geloof dat, ondanks alles, iedereen dat ten diepste is. Zelfs die ouwe mopperkont.

jansenwim

Wim Jansen

Theoloog, schrijver en dichter

Naast het predikant-schap was Wim Jansen (1950) lange tijd werkzaam als docent levensbeschouwing, met name op de Hogeschool Zeeland. Tot …
Profiel-pagina
Al 6 reacties — praat mee.