Nieuwe zionistische voormannen treden aan. Onder hen is dr. Chaim Weizmann (1874-1952) die de eerste president van de Staat Israel gaat worden. Anders dan zijn tijdgenoot David ben Gurion, de eerste minister-president van de staat, bracht Weizmann veel van zijn jaren door buiten het toenmalige Palestina. Maar hij was heel erg toegedaan tot de zionistische zaak en gebruikte zijn invloed als wetenschapper en politicus voornamelijk in Groot-Brittannië om de oprichting van de Joodse Staat te bepleiten. Het was onder meer zijn vriendschap met de Britse premier Lord Arthur Balfour die in 1917 leidde tot het verschijnen van de ‘Balfour Declaratie’ waarin de Britse regering liet weten welwillend te staan tegenover de vestiging van een Joodse staat in Palestina, mits de rechten van de toenmalige bewoners gerespecteerd zouden worden.

Weizmann was als wetenschapper en zionistisch idealist oprichter van belangrijke wetenschappelijke instituten in de eerste helft van de twintigste eeuw zoals in 1912 de Technion, de huidige universiteit, in Haifa en het Weizmann Instituut in Rehovot. Een op te richten Joodse Staat moet gedegen onderwijs kennen.

En dit bracht hem in een conflict met de Oude Jisjoew. De Jisjoew was vastberaden vast te houden aan het uitbannen van iedere modernisering van het Joods onderwijs. De Talmoed, de Joodse wetboeken en de Bijbelstudie vulden het volledige curriculum op het Joods dagonderwijs. In het oude Europa had het toelaten van profaan onderwijs al tot genoeg secularisatie en assimilatie binnen de Joodse gemeenschappen geleid. Rabbijn Josef Chaim Sonnenfeld weigerde ook maar iets toe te geven aan de idealen van Weizmann. De modernisering van onderwijs zou in rabbijn Sonnenfelds ogen een eerste stap zijn naar de oprichting van die Staat die de zionisten voor ogen hadden. En dat mocht onder geen beding gebeuren.

Maar er waren meer onderwerpen die tussen de partijen gingen spelen. Weizmann en zijn zionistische collega’s zagen met lede ogen hoe de Jisjoew trouw bleef aan haar eigen geestelijk leiders waaronder rabbijn Sonnenfeld. Daarom gingen de zionisten over tot het oprichten van een eigen zionistisch getint staats-opperrabbinaat onder leiding van de eerder genoemde rabbijn Abraham Isaac Kook. Dit instituut werd onmiddellijk door de Jisjoew als niet erkend verklaard. Een opperrabbijn in dienst van een, weliswaar nog op te richten, staatsbestel? Dat nooit. Het rabbinaal geestelijk gezag moest onafhankelijk blijven.

Een ander discutabel element werd de taal. De Jisjoew bediende zich nog steeds van het oude Jiddisj, de oorspronkelijk vroeg middeleeuwse omgangstaal van de Europees Joodse gemeenschap. “Nee”, zeggen de zionisten, “van dit soort diaspora kenmerken moeten wij af”. Vanuit het klassiek Hebreeuwse krijgt de Joodse hebraïst Eliëzer Ben-Jehoeda opdracht de nieuwe taal Ivriet, het modern Hebreeuws, te ontwikkelen. Maar ook hier wilde de Jisjoew van toen niet aan. Klassiek Hebreeuws is de gewijde taal van de Tora. Het is de taal die de Eeuwige heeft gesproken tijdens de openbaring op de Berg Sinaï. Die heilige taal mag nooit gebruikt worden voor het gesprek van alledag. Dus opnieuw een seculiere aantasting van het joods erfgoed van de Jisjoew.

En dan begon ook nog de financiële kwestie op te spelen tussen de Jisjoew en de zionisten. Sinds jaar en dag werd in de synagogen en leerhuizen van het oude Europa maar ook in de ‘nieuwe wereld’, de Verenigde Staten, geld verzameld voor de ‘armen in het Heilige Land’. Nu de zionisten zich meer en meer organiseerden in het Heilige Land begonnen zij ook aanspraak te maken op deze ‘Chaloeka’, deze verdeling.

De Jisjoew voelde dat op alle fronten haar invloed beperkt dreigde te worden om op die manier tot die ‘onwenselijke’ staat te komen. Dat er onderhand ook al flink wat conflicten ontstonden tussen de verschillende fracties van het seculiere zionisme is binnen de context van dit artikel niet direct relevant. In deze serie artikelen gaat het om het zichtbaar maken van het feit dat wel of geen staat een religieus conflict is. En mocht die staat er komen, hoe gaat deze er dan uitzien? Wordt het een seculiere staat of misschien toch nog een seculiere staatsvorm met enige theocratische kenmerken?

Twee millennia vóórdat in 1948 de huidige Joodse Staat Israël werd opgericht rommelde het ook al danig in het Heilige Land. Rond het begin van de algemene jaartelling vlogen de Sadduceeërs, de Essenen en de Farizeeërs elkaar in de religieuze haren. Journalist Dick Houwaard beschreef dit ooit als een “interne Joodse ruzie”. Met die term bedoelde hij te zeggen dat het om Joden ging die het op religieuze gronden niet met elkaar eens waren en waar de niet-Joden zich gewoon niet mee hadden te bemoeien. Maar dat deden ze dus wel. Vanuit ‘de volkeren’ begon men zich te interesseren voor het jodendom. Maar dan wel voor een bepaald deel van het jodendom. Het deel dat er voor koos de christelijke Messias te volgen. De rest was in hun ogen niet waard om voort te bestaan. Deze kerkelijke keuze leidde uiteindelijk tot de situatie waar alles in de eeuwen die volgden mis ging tussen Joden en christenen.

De geschiedenis herhaalt zich. Zionisme of geen zionisme is een intern Joods-religieus conflict. En binnen dat zionisme, de keuze tussen seculier of religieus zionisme heeft ook weer diezelfde soort religieuze dimensies als tijdens die oude conflicten toen het christendom nog maar net begonnen was.

Is de visie van de Oude Jisjoew met haar Messiaans gedachtengoed de ware? Of is misschien de mening van de religieuze zionisten de juiste? En als dat al zo is, gaat het dan om de meer gematigde stromingen van de religieuze zionisten die ook ruimte in hun denken schenken aan de niet-joodse burgers binnen de grenzen van hun staat? Of wordt het religieus-zionistische gelijk toegekend aan die groeperingen die sterk nationalistisch denken en dit ook uiten?

Met recht, G’d zal het zeggen. Of beter nog, G’d heeft al gesproken. Studie van de Tenach, kennis van de Talmoed, de meningen van onze Wetgevers zoals Maimonides of Nachmanides en veel anderen zijn van doorslaggevende betekenis.

Toch zijn het nu ook weer ‘de volkeren’, en dan hebben we het over de religieuzen der volkeren en dan met name christenen, die zich bemoeien met deze ‘Joodse interne ruzie’.

Dat meer vrijzinnige christenen een visie hebben over de wordingsgeschiedenis van de huidige Staat Israël is zeer wel mogelijk. Alleen is dat veelal of een politieke visie of een vrijzinnige Bijbelvisie die ver verwijderd is van hoe de Jood omgaat met de Tenach, met de Bijbel. Verbazingwekkend is echter hoe er binnen de gemeenschap van orthodoxe, zich Bijbelgetrouw noemende christenen keuzes worden gemaakt met betrekking tot het huidige Israël over welk soort jodendom valide is en welke joden het bij het verkeerde eind zouden hebben.

Zo gauw er ook hier in Nederland iets aan de hand is met Joden of Israël, gaan ook sommige van deze groeperingen de straat op. Ging het om hun solidariteit te betonen met Joden, dan is het de geschiedenis die hen daar mogelijk toe verplicht. Maar een christelijke verbondenheid tonen met het huidige Israël zoals zij dat doen? Als de zogeheten Bijbelgetrouwe orthodoxe christenen samen optrekken met seculiere agnostische of atheïstische leden van het ‘oude volk’? Met de Bijbel in de hand zich verbonden weten met de ideologie van hen die de Bijbel naast zich neerleggen? Dat is op zijn minst vreemd. De gelovige christen kent allerlei negatieve kwalificaties voor de ongelovige uit de volkeren. Maar met de ongelovige Joodse zionist trekken ze samen op? Hoe rijmt zich dat?

Hoe kan het zijn dat gelovige orthodoxe christenen de moeite nemen om zich de moeilijke Hebreeuwse woorden van het Israëlische Volkslied eigen te maken. Terwijl, het is niet anders, dit een van de weinige volksliederen is waar bewust de naam van de Eeuwige niet in voorkomt. Anders dan het Nederlandse Wilhelmus of het Britse volkslied. Het kerkorgel in Nederland laat soms een Joods volkslied horen waar het G’ddelijk gezag niet in aanwezig mocht zijn.

De Rooms-Katholieke kerk heeft er heel lang over gedaan om de staat Israël te erkennen. En die erkenning is uiteindelijk niet meer geworden dan een staatsrechtelijke erkenning zonder een religieuze connotatie. De Protestante Kerk in Nederland voelt zich “geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël.” Met het volk Israël, de verbondenheid met de Staat Israël is wat ingewikkelder. Mijns inziens doet die complexiteit ook recht aan de feiten. De verbondenheid van de religieuze Jood met Israël is namelijk ook al ingewikkeld. Dat heeft de wordingsgeschiedenis ons immers geleerd.

En dan zijn er ook nog tenslotte die christenen die de keuze maken dat het huidige in hun ogen joodse Israël alles te maken heeft met een wederkomst van Hem die met het jodendom van zowel de Oude Jisjoew, de religieuze zionisten of de agnosten onder het zionisme geen enkele relatie heeft.

De staat Israël werd drie jaar na de Tweede Wereldoorlog een feit. Nadat Europa getoond had geen veilig thuis te kunnen zijn voor de Jood in diaspora, is dat bijna vanzelfsprekend Israël geworden. En iedere Jood die dat heeft mogelijk gemaakt, seculier, orthodox, zionistisch of a-zionistisch heeft daar een grote verdienste in verworven. Ontegenzeggelijk. De discussie over het gelijk of het ongelijk echter, deze duurt voort. En dat zal doorgaan tot de komst van de Messias. Tot dan blijft dit een interne joodse discussie waar christenen met hun eigen Bijbelse opvattingen zich er goed aan doen er buiten te blijven. Christelijk kiezen voor of tegen? Die fout is tweeduizend jaar geleden al gemaakt.

Deze komende zondag staan veel kerken weer stil bij de jaarlijkse Israël-zondag. De invulling daarvan is aan de kerken zelf. Misschien is het zinvol toch ook eens op de soms vreemde christelijke bemoeienis met het zionisme te reflecteren.

Lody van de Kamp2

Lody van de Kamp

Rabbijn

Afkomstig uit een Joods gezin waarvan de vader twee jaar doorbracht in het concentratiekamp Auschwitz en de moeder als onderduikster de …
Profiel-pagina
Al 2 reacties — praat mee.