Rabbijn Josef Chaim Sonnenfeld, de geestelijk leider van de Oude Jisjoew, schrijft rond 1918 een brief aan dr. Chaim Weizmann die in het eerste deel van de twintigste eeuw het gezicht is van de zionistische wereldbeweging. “Hoe het ook verder gaat met de door u zo felbegeerde oprichting van een Joodse Staat, zorg er in ieder geval voor dat er geen vijandschap ontstaat met de lokale Arabische bevolking”.

rabbijn Sonnenfeld
Rabbijn Josef Chaim Sonnenfeld

Binnen onderdelen van de zionistische beweging vielen deze belangrijke woorden op dovemansoren. In hun visie bestond er maar één mogelijkheid om tot de oprichting van de Staat te komen, door de strijdbijl op te pakken tegen de Britten die het na afloop van de Eerste Wereldoorlog voor het zeggen hadden. En ook de plaatselijke Arabische bevolking werd geacht zich aan de zijde van de Joodse nieuwkomers te scharen. Zo niet dan zouden zij een onderdeel van de strijd gaan worden.

De brief van de rabbijn was visionair. Het gewapend conflict met ook de Arabische buren zou rechtstreeks ingaan tegen de Drie Eden (zie deel twee van deze serie ‘De opkomst van seculier en religieus zionisme’). Maar dat alleen was niet de enige reden van dit belangrijk epistel. Als religieus leidsman van die Oude Jisjoew wist rabbijn Sonnenfeld maar al te goed wat oorlog en strijd teweeg brengen in het innerlijke van de mens. Zowel zijn eigen observaties in het door oorlogen verscheurde Centraal-Europa van de negentiende eeuw als de niet te beschrijven onmenselijkheden tijdens de Eerste Wereldoorlog, dreven hem om stelling te nemen tegen oorlogsvoering en gewapende strijd door de Joodse gemeenschap. Het is beter om lijdzaam af te wachten in een diaspora-bestaan op de komst van de werkelijke Verlossing dan zich geestelijk en moreel te beschadigen door oorlog.

Het is boeiend dat in dit verband de in 2016 teruggetreden commandant van de Nederlandse landstrijdkrachten luitenant-generaal Mart de Kruijf onlangs in een radio-interview verklaarde dat oorlogsvoering nu eenmaal de meest ‘vuile’ manier is om vrede te bereiken. Hij verklaarde dit naar aanleiding van de recente terugtrekking van de troepen uit Afghanistan.

Oorlog voeren is soms noodzakelijk. Maar het werkt moreel bevuilend. In het boek Deuteronomium van de Thora wordt vanaf vers 10 in hoofdstuk 21 gewaarschuwd voor de geestelijk beschadigende dilemma’s die de soldaat in de strijd tegen zal kunnen komen. Zelfs een in vredestijd niet toegestaan huwelijk laat de Eeuwige “met lede ogen toe” in de hitte van de strijd. Zoals de Talmoed toelicht “Op het slagveld is er altijd sprake van een ontembare hartstocht” (Talmoed Kedushin 21b).

Meer dan twintig jaar later ligt de waarschuwing van rabbijn Sonnenfeld op tafel in de ondergrondse bunkers van het getto van Warschau. Heftige discussies worden over dit thema gevoerd tussen de voor- en de tegenstanders van het oppakken van de wapens tegen de nietsontziende Nazi-beesten die dagelijks duizenden inwoners van het Getto deporteren naar de vernietigingskampen. Dr. Hillel Seidman schrijft in zijn Warschau’s Getto Dagboek dat deze discussies helemaal niet alleen gingen over de haalbaarheid of onhaalbaarheid van een opstand. Met name van de kant van religieuze bewoners werd gewaarschuwd tegen de ‘morele schade’ van militair handelen. Hoe noodzakelijk zij misschien ook was.

Ik zit tegenover rabbijn dr. Norman Louis Rabinovitch. Dit is inmiddels meer dan twintig jaar geleden. Deze rector van de Talmoed Hogeschool in Ma’ale Adumim in Israël vertelt mij over het studieprogramma van dit religies-zionistische instituut. De jonge studenten volgen het “Hesder-syteem” wat zoveel betekent als een combinatie van religieuze studies en het vervullen van militaire dienstplicht. Dat laatste zien de studenten ook als een onderdeel van hun religieuze identiteit. Dr. Rabinovitch vertelt trots over de toegewijdheid van zijn pupillen tot zowel het studiegedeelte als tot hun militaire taken. Maar tegelijkertijd verzucht de rector ook dat hij zijn hoofdtaak tegenover de studenten ziet om voortdurend te benadrukken dat in de huidige situatie zonder vrede de militaire taken weliswaar onoverkomelijk zijn. Maar de studenten moeten blijven beseffen dat militaire verplichtingen, defensietaken en oorlog voeren altijd een noodzakelijk kwaad blijft. Hoe je het ook wendt of keert. Met een moreel beschadigend effect.

Sinds dat gesprek heeft weer een hele generatie jonge Joodse Israëliërs twee of drie jaar gediend in het leger. En binnen een samenleving zonder permanente vrede betekent deze dienstplicht voor velen van hen het verrichten van actieve oorlogshandelingen. Met alle negatieve morele effecten van dien. We zien het hier in Nederland met de trauma’s bij Nederlandse oorlogsveteranen. En dat gebeurt in Israël nu al meer dan zeventig jaar.

Deze situatie heeft daarnaast ook nog eens geleid tot een soort ongewenste verheerlijking, inherent aan de militaire discipline die een krijgsmacht nodig heeft, van alles wat met oorlog en wapens te maken heeft. En dat alles binnen een Joodse gemeenschap als nazaten van hen die elke vorm van geweldsmanifestatie vreemd is vanuit haar geloofsleven.

Leven in oorlog betekent leven met angst en met bedreiging. Voor die angst bestaan natuurlijk allerlei terechte redenen. In haar korte bestaan moest de staat in ieder geval zeven oorlogen voeren om het voortbestaan van de Joodse Staat te verzekeren. Dit behalve een hele reeks andere gewapende conflicten. Er moest een totaal verdedigingssysteem worden opgezet om het hoofd te bieden aan al die terroristische aanslagen zoals de vliegtuigkapingen, zelfmoordaanslagen in de straten en het openbaar vervoer van de Israëlische steden.

Hoe de situatie zich zou hebben ontwikkeld als dr. Weizmann in staat zou zijn geweest de zionistische gemeenschap te overtuigen van het gelijk van de waarschuwende boodschap van rabbijn Sonnenfeld, dat laat zich slechts raden.
Dat is in ieder geval niet gebeurd.

Wel weten we onderhand dat er nog een veel ernstiger situatie door het veel te lang durende conflict met al die oorlogshandeling binnen de samenleving daar, in Israël en Palestina, is ontstaan.

Na zoveel generaties is dit het nauwelijks nog te bestrijden wederzijdse vijandsbeeld. De Palestijn is de vijand van de Israëliër. De Israëliër is de vijand van de Palestijn. Het is dit beeld dat zowel aan Israëlische als aan Palestijnse kant iedere stap naar een vreedzame toekomst lijkt te blokkeren.

Op een grote scholengemeenschap in het zuiden van ons land mocht ik onlangs deelnemen aan een boeiende themadag over het Israëlisch-Palestijns conflict. De discussie ging natuurlijk ook over het aandragen van oplossingen van een oorlogssituatie die onderhand langer duurt dan onze eigen tachtigjarige oorlog. Wordt het een tweestaten-oplossing? Moet het uiteindelijk één staat worden van Palestijnen, Israëliërs en al die andere volkeren die op dat smalle stukje land een woonplek hebben? Moet deze nieuwe entiteit onder supervisie van een EU of een Verenigde Naties komen te staan? Ieder scenario kwam langs.

Ik kon niet nalaten de microfoon te nemen om mijn visie neer te leggen. “Jullie nemen veel te grote stappen. We zijn nog helemaal niet toe aan een ‘oplossing’. Die oplossing wordt hier op aarde niet geregeld. De oplossing is dat toekomstbeeld dat te maken heeft met die Bijbelse beloften en de uitleg daarvan door de Profeten waar de Thora, Bijbel en Koran vol van staan. Daarbij gaat het niet om een ‘oplossing’ maar om een ‘Verlossing’. Een Verlossing door de Messias.

Totdat het zover is hebben wij nu als primaire taak het kantelen van die vijandsbeelden. Door met die beelden af te rekenen ontstaat er een status quo die de hele regio, Israël, de Palestijnse gebieden, Judea en Samaria, de Gaza en de Golan Hoogvlakte voor iedereen leefbaar maakt. Leefbaar in veiligheid en voorspoed.

Is dit voorstel slechts een droom? Nee, absoluut niet. Ieder die op een of andere manier verzeild is geraakt in het gesprek met die ander aan de overkant van de Israëlisch-Palestijnse scheidslijn weet hoe hoopvol deze ontmoetingen en vriendschappen kunnen zijn. Het is ‘slechts’ onze taak om deze ontmoetingen veel breder te laten plaatsvinden. En zo kantelt dat hele brede gevoel van wederzijdse animositeit en angst.

Wanneer we daar zover mee gevorderd zijn, kunnen we samen ook gaan werken aan het herstel van die morele schade die door zo’n lang gewapend conflict is ontstaan. Wij als Joden kunnen ons dan ook weer richten op de Joods-religieuze opbouw van een Staat die natuurlijk anders is dan wat we nu de Joodse Staat noemen. Zeg maar het Joods Messiaanse rijk, ontstaan door de gehoorzaamheid aan de drie Eden, waarbij de echte vrede voor al die wereldburgers onlosmakelijk is verbonden.

En hoe staat het nu met de nazaten van die Oude Jisjoew? Dat is een complexe zaak. Veel van de orthodox-religieuze leefgemeenschappen in Israel zijn nog steeds niet zionistisch ingesteld. Het Joodse volkslied Hatikwa wordt in die kringen niet gezongen, de Israëlische Onafhankelijkheidsdag in de maand mei wordt zeker niet gevierd. De blauw witte Israëlische vlaggen met de Davidsster in het midden komen we daar nergens tegen. En met tegenzin vervult men de plichten die elke burger nu eenmaal van regeringsweg krijgt opgelegd. Ook wanneer men die regering eigenlijk niet wil of kan erkennen.

Maar dit is maar een deel van het verhaal. Met het verstrijken van de tijd is men ook binnen deze niet-zionistische kringen toch wat opportunistischer gaan opereren. Veel van de niet-zionistische onderwijsinstituten accepteren toch de staatssteun waar zij als onderdeel van de samenleving recht op hebben. Vertegenwoordigers van deze gemeenschappen hebben er voor gekozen toch de Israëlische politiek in te gaan, dus van een land wat zij eigenlijk niet erkennen. En dit doen zij om zuiver opportunistische redenen, het veilig stellen van de belangen van hun gemeenschappen binnen de seculiere Israëlische samenleving.

Slechts enkele groeperingen houden echt nog heel consequent vast aan wat de geestelijke leiders ten tijde van de Oude Jisjoew in de negentiende en de vroeg twintigste eeuw ons voorhielden. En dat doen zij zonder ook maar enige concessie te verlenen aan hun absolute geloofsovertuiging. Niets zionisme. Niets Joodse Staat anno 1948.

Het is aan deze laatste groeperingen die in ieder geval te zijner tijd het recht hebben verworven op te eisen dat zij volledig trouw zijn gebleven aan de Thora-waarheden rond het leven in ballingschap tot het moment van de ware Verlossing.

Moge dat moment spoedig aanbreken.

Lody van de Kamp2

Lody van de Kamp

Rabbijn

Afkomstig uit een Joods gezin waarvan de vader twee jaar doorbracht in het concentratiekamp Auschwitz en de moeder als onderduikster de …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.