In februari 2024 schreef ik een essay voor Nieuw Wij waarin ik enkele resultaten beschreef vanuit mijn toen lopende onderzoek naar de ervaringen van individuele vrouwen met religieverlating in het Verenigd Koninkrijk en Nederland. [1] In plaats van mijn gesprekspartners enkel te vragen naar waarom ze hun geloof verloren, onderzocht ik hoe men zich losmaakt van geloof en gemeenschap door alledaagse ervaringen van lichamelijkheid en sociale relaties. [2] Terugkerende onderwerpen in de gesprekken waren eerbaarheid, huwelijk, moederschap, queer verlangens, racisme en islamofobie.

Nu pak ik de draad weer op. Ik schuif de verhalen van enkele vrouwen uit christelijke dan wel islamitische hoek over vormen van racialisering naar voren. Zelden wordt immers het verlies van geloof, of het verlaten van een religieuze sociale context, in verband gebracht met vormen van structureel racisme en mechanismen van racialisering.

Religieverlating is een breed begrip: het kan gaan om geloofsverlies en/of het verlaten van een religieuze context die lang belangrijk en vormend is geweest, zoals familie, gemeenschap, sociale kring of professioneel leven. Uiteraard kan iemand het geloof verliezen zonder de bijbehorende religieuze context te verlaten, en andersom. Voor mijn gesprekspartners gold echter meestal beide.

In wat volgt, verken ik de kritische invalshoeken van drie vrouwen: Arpitha, Adri en Ayesha. [3] Aan de hand van die invalshoeken zal duidelijk worden dat voor een aantal vrouwen, religieverlating gaat over racisme, antikoloniale kritiek en marginalisering.

Arpitha

Arpitha deelde in haar kerkverlatingsverhaal haar frustraties over witte dominantie binnen haar voormalige Anglicaanse gemeente, in een grote stad in het noorden van Engeland. Arpitha is een 38-jarige vrouw, die vanuit Noord-India naar het Verenigd Koninkrijk verhuisde om te studeren. Volgens Arpitha weten Anglicaanse kerken niet hoe kritische perspectieven goed te integreren, waardoor er slechts oppervlakkige kennis is over racisme, seksisme en homofobie. Ze bekritiseerde het veelgebruikte begrip inclusiviteit, omdat het vaak top-down werd begrepen en toegepast, vanuit het perspectief van witte Anglicanen. Arpitha mobiliseerde daarom jonge kritische Anglicanen in haar netwerk om een eigen ruimte te creëren voor discussies over geloof en politiek. In haar relaas over racistische sociale interacties verweeft Arpitha ervaringen binnen en buiten haar kerk. Hieruit blijkt dat racistische stereotypen eigen kunnen zijn aan een bepaalde kerk of religieuze traditie. Maar vaker gaan racistische stereotypen voorbij de grenzen van specifieke kerkgemeenschappen, en leven ze ook in de bredere samenleving.

Een voorbeeld van kerkelijk racisme is de exotisering van Indiase christenen. Indiase christenen worden volgens Arpitha als ‘nieuw’ beschouwd, waarmee ze steeds weer als recente bekeerlingen worden behandeld. In deze blik wordt de eeuwenoude geschiedenis van Indiase christelijke gemeenschappen niet erkend.

Een voorbeeld van racistische stereotypen die zowel binnen als buiten de kerk bestaat, kwam aan bod in Arpitha’s verhaal over de komst van haar moeder vanuit India voor haar afstuderen. Moeder en dochter reisden daarop samen door het land voor een korte vakantie. Tijdens die reis werd Arpitha’s moeder onderweg herhaaldelijk gekleineerd en geëxotiseerd:

Een vreemde terugkerende ervaring is die waarbij mensen herhaaldelijk mijn moeder vragen: “Spreekt u Engels? Is het koud waar u woont?”. Mijn moeder spreekt perfect Engels. Ze is lerares. Waarom vragen ze dat niet eerst voordat ze aannames doen? Ze zeiden dingen als: “Waarom reist u zonder uw man? Waarom kookt u niet vaker?” Ik vind dat daar een heleboel beledigingen aan kleven. Als jongere vrouw werd er aangenomen dat ik modern was, maar mijn moeder niet.

De racistische sociale interacties waarmee Arpitha’s moeder te maken kreeg, zijn duidelijk vermengd met seksistische aannames over oudere vrouwen met een Indiase achtergrond.

In de kritieken van Arpitha en anderen komt witte dominantie naar voren als de kern van het gemeenteleven van verschillende kerken en tradities in het Verenigd Koninkrijk en Nederland. De ervaring, interesses en het blikveld van witte mensen staat daarbij centraal, waarbij de ervaringen, interesses en het blikveld van niet-witte gemeenteleden automatisch naar de marge verschuiven.

Christendom en witheid moeten beiden worden beschouwd als constructies, als voortdurende en onvoltooide geschiedenissen. Het zijn echter wel constructies in werking: lichamen worden expliciet of impliciet in specifieke richtingen geduwd, en individuele en institutionele gewoonten worden gevormd naar specifieke kennis en verwachtingen. De constructie van witheid als norm beïnvloedt hoe lichamen ruimte kunnen, mogen, durven innemen. Het beïnvloedt ook welke lichamen worden beschouwd als automatisch behorend tot de groep, en welke lichamen gemakkelijk worden gezien als anders, exotisch, indringers of problemen.

Losing my – Edward from Pixabay mother-and-daughter-3281388_1280 (1)
Beeld door: Edward from Pixabay

Adri

Adri bracht kritiek op koloniale moderniteit naar voren als de belangrijkste drijfveer om haar eigen traditie te verlaten. Adri is een 51-jarige witte Nederlandse vrouw, die mij vertelde over de jaren waarin haar bezorgdheid groeide over het gebrek aan aandacht in haar PKN-kerk voor het lot van christenen in Palestina en vluchtelingen in het algemeen. Toen ze overwoog om te solliciteren naar een baan als koster bij haar kerk, voelde ze zich gedwongen om de ontstane politieke kloof onder ogen te zien. Adri stelde vragen bij ontbrekende kennis over de oorlogen in Gaza, de vanzelfsprekende band van de protestantse kerk met Israël, en vooral bij het niet willen kennen van de feiten en de historische verbanden. Ze legde haar toenemende vervreemding als volgt uit:

Waarom praten we daar niet over? Als je dat geloof op dezelfde manier ervaart als ik, hoe kan het dan dat we wegkijken en op zondag in de kerk zitten en daarna? Wat doe je de rest van de week? En waar is je betrokkenheid bij deze wereld? […] Kijk eens naar Nederland, we willen het niet horen, niet echt. Die identificatie is met… Dat houdt op bij zo ongeveer alles wat moslim is. En zelfs daar, de christelijke Palestijnen, die zijn precies hetzelfde, die zijn onder het tapijt geveegd, of zoiets. […] Toen realiseerde ik me: ik sta [er] zo ver af […]. Dus ik voelde me daar niet meer thuis.

Adri beschreef de houding ten opzichte van moslims en Palestijnen deels als een kwestie die verband houdt met haar specifieke religieuze traditie, maar ook als overlappend met structurele houdingen in de Nederlandse samenleving als geheel. Adri besloot theologie te studeren en bekeerde zich tot de islam. Dit alles gebeurde gedurende de jaren van de opkomst van de extreemrechtse Geert Wilders en de PVV. Adri verklaarde haar bekering vanuit een afkeren van de kerk, in combinatie met haar aangetrokken zijn tot de islam en een verlangen om “naast” moslims te staan als onderdrukte minderheid in en door het Westen.

Arpitha en Adri zijn voorbeelden van vrouwen die hun kerkgemeenschappen verlaten (deels) vanuit een frustratie met witte dominantie. De ervaringen en perspectieven van deze vrouwen kunnen niet los worden gezien van mondiale ongelijkheid en de structuren van koloniale moderniteit en, belangrijker nog, het besef van de manieren waarop individueel en collectief geloof en religieuze tradities hierbij een rol spelen. Mijn gesprekspartners legden zo de vinger op de constructie van witheid/Eurocentrisme, dat de norm is geworden in veel christelijke tradities en gemeenschappen in en door religieuze verbeelding, Noord-Zuid-relaties, lokale en nationale belangen en intersubjectieve relaties.

Ayesha

Enkele vrouwen die hun islamitische geloof verloren, deelden met mij de zorg dat hun verhalen mogelijk zouden worden misbruikt in islamofobe retoriek, die de reeds bestaande racialisering van moslims versterkt. Islamofobe instrumentalisering van de stemmen van voormalige moslims door Britse en Nederlandse liberaal-seculiere, populistische en extreemrechtse actoren is gebaseerd op het beeld dat het wenselijk zou zijn dat mensen islam verlaten – gepresenteerd als vreemd, achterlijk en onderdrukkend. Het verlaten van islam wordt daarmee voorgesteld als een manier om eindelijk echt seculier-liberaal, modern en/of beschaafd te worden. Deze vrouwen wilden niet in dit schuitje stappen. Maar hoe spreek je dan over de specifieke ervaringen en mogelijke noden van zij die niet meer moslim zijn?

Deze puzzel werd uit de doeken gedaan door de 26-jarige Pakistaans-Britse Ayesha:

Ik denk dat het erg moeilijk is om als ex-moslim over de islam te praten, omdat je je in een soort grensgebied bevindt waar je een minderheidsgroep binnen een minderheidsgroep bent, en dat is voor de buitenwereld ongelooflijk verwarrend. […] Er zijn bepaalde dingen die je als ex-moslim wilt uitdrukken en het is moeilijk om daar diplomatiek over te zijn, omdat je in een positie zit waarin je denkt: oké, ik word geïdentificeerd als moslim, [vooral] als sommige mensen naar mijn huidskleur kijken en daar aannames over doen, toch? Dus, zoals ik al zei, ik maak deel uit van een onderdrukte groep binnen een minderheidsgroep. Ik wil niet per se deze grotere groep in diskrediet brengen, maar ik wil wel kunnen aangeven dat er bepaalde kwesties zijn die problemen opleveren voor mensen zoals ik, en ik weet niet hoe ik dat gesprek met mensen op een politiek correcte manier kan voeren, waarbij ik toch mijn benarde situatie aan het licht breng. […] Ik denk dat het heel moeilijk is om dat op een manier uit te drukken die mensen begrijpen en waarderen, en waar mensen niet door beledigd raken. Ik wil niemand beledigen als ik deze discussie voer, maar het is een heel, heel lastige discussie. […] [Mensen zijn] niet erg gevoelig als ze praten over kwesties rond ex-moslims en onze ervaringen met islam en andere moslims.

Ayesha liet zo de verschillende lagen van haar positie als voormalige moslim aan bod komen. Enerzijds is er de wens om te spreken over de collectieve en individuele behoeften van voormalige moslims. Aan de andere kant is er een besef nog steeds als moslim te worden gezien en benaderd, en daarmee een minderheid binnen een gemarginaliseerde groep te worden. Deze tussenin-positie maakt het moeilijk de eigen stem en behoeften te verwoorden.

Zowel in de Britse als in de Nederlandse context worden islam en moslims geracialiseerd door essentialistische opvattingen over moslim-zijn in relatie tot bepaalde migratiegeschiedenissen, huidskleur en Zuid-Aziatische, Arabische, Turkse of Amazigh-achternamen. De dominante verwachting is dat mensen met deze achtergronden per definitie moslim zijn, waardoor de werkelijke religieuze en niet-religieuze diversiteit aan het oog onttrokken wordt. Moslim-zijn wordt bovendien vaak bestempeld als afwijkend van of vijandig aan seculiere/christelijke Europese samenlevingen.

Daarbij is de aanname van een aantal moslims dat wie als moslim geboren is, moslim blijft. Deze combinatie maakt dat er weinig ruimte is voor zij die niet meer moslim zijn. Mijn gesprekspartners gaven aan dat de speelruimte die zij hebben om zich als niet-religieus te identificeren, en een niet-religieus leven te leiden, tot op zekere hoogte verder beperkt is en wordt, juist omdat zij vrouwen zijn.

Voor deze vrouwen is het dan ook van het grootste belang dat religie wordt losgekoppeld van etniciteit. Vanuit hen bekeken moet islam een individuele keuze zijn, en niet iets dat samenvalt met etnische identiteit of geboren zijn in een moslimgezin.

Tot slot

Het samenbrengen van de kritische stemmen van vrouwen uit zowel christelijke als islamitische hoek stelt ons in staat om de gelaagdheid van witte seculiere/christelijke dominantie te zien. De kerkverlaters legden dynamieken van witte normativiteit in hun voormalige gemeenschappen bloot. Zij die zichzelf zien als niet meer moslim wezen met hun zorgen op de voortdurende racialisering van moslims. Waar individuen dus hun geloof kunnen verliezen en een gemeenschap kunnen verlaten, blijven structurele vormen van racialisering voorbestaan. Vele vrouwen kunnen dus niet of moeilijk ‘ontsnappen’ aan racisme en uitsluiting op basis van ideeën over kleur, cultuur of religie.

Dank

Ik ben mijn gesprekspartners dankbaar voor hun bijdragen, de tijd die ze vrijmaakten, en het vertrouwen dat ze mij schonken. Ik dank Lena Richter, Karin van Nieuwkerk en Abdelmjid Kettioui voor het organiseren van het panel ‘More than a Matter of Belief: Including Questions of Justice in the Study of Leaving Religion’ tijdens de 5th ISA Forum of Sociology, en de vervolgworkshops bij het Nederlands Instituut in Marokko (NIMAR), in Rabat in juli 2025. Zowel het panel als de workshops boden een uitstekende gelegenheid om verder te praten over religieverlating in relatie tot sociale ongelijkheid en rechtvaardigheid. Ik verkreeg financiële ondersteuning om de conferentie en workshops bij te wonen van het Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (BE), de KU Leuven faculteit Theologie en Religiewetenschappen, en de Dr. M. Van Wichen Stichting (NL), waarvoor veel dank. Tot slot bedank ik prof. Kristin Aune voor haar steun en begeleiding van dit onderzoek.

Tussen april 2022 en maart 2024 werkte ik aan dit onderzoeksproject dat door een Marie Skłodowska-Curie Individual Fellowship (EU) werd gefinancierd. Ik verzamelde zestig verhalen via persoonlijke of online levensverhaal-interviews. De deelnemers waren 57 vrouwen, één man, één agender persoon en één genderfluïde persoon. De leeftijd varieerde van 19 tot 71 jaar. Vele verschillende religieuze achtergronden waren vertegenwoordigd: anglicanisme, katholicisme, Jehova’s Getuigen, de Mormoonse Kerk, de Grieks-orthodoxe Kerk, orthodox Jodendom en de pinksterbeweging, alsook evangelische, soennitisch islamitische en orthodoxe calvinistische tradities, de apostolische gemeenschap, de nieuw-apostolische kerk en de wereldwijde kerk van God. Ik analyseerde de levensverhaal-interviews met oog voor de rol van sociale relaties, de religieuze gemeenschap, individueel geloof, vrouwelijkheid, seksualiteit, racisme en belangrijke levensgebeurtenissen in processen van religieverlating.

Zie publicaties:

(2025) Dissenting Daughters: Women’s Orthodox Calvinist and Apostolic Religious Exits in the Netherlands in Tijdschrift voor Genderstudies.

(2024) (Losing) Faith, Intimacy and the Gendered Religion‑Race‑Secularity Nexus in Stories by Women of Islamic Backgrounds in Blasphemous Art? Religion, Gender and Sexuality in Arts and Popular Culture. Edited by Adriaan van Klinken, Nella van den Brandt and Mariecke van den Berg.

(2024) Undoing Religion, Redoing Gender: Sexual Stories of Religious Exit in Religion

(2024) Gendered and Embodied Un/learning among Women Disengaging from Faith in the UK and Finland with Teija Rantala in Approaching Religion.

Alle namen in dit essay zijn gefingeerd, en anonimiteit en privacy worden zorgvuldig beschermd.

Lees ook

autumn-1869461_1920

Seksisme, racisme en verzet in het afscheid nemen van religie

Een studie naar religieuze exitverhalen in het Verenigd Koninkrijk en Nederland

Nella-van-den-Brandt

Nella van den Brandt

Religiewetenschapper

Nella van den Brandt is onderzoeker aan de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen van de KU Leuven. Haar boek Religion, Gender and …
Profiel-pagina
Nog geen reactie — begin het gesprek.