De tijd rond Kerst is een tijd van visioenen van een andere wereld, een waar vrede is en recht. Een wereld waar schoonheid en zachtheid is. We hebben zulke vergezichten nodig. Maar zit ook een risico aan. Een visioen vraagt draagkracht, over solidariteit, anders word het niet wat met vrede en recht. Kunnen we zoveel solidariteit aan? Een visioen vraagt ook om scherpte: de scherpte namelijk om aan te wijzen wat vrede en recht in de weg zit, en hoe we daar eventueel zelf bij betrokken zijn. Als die draagkracht en scherpte ontbreken, wordt een visioen viezig, goedkoop.
Visioenen dragen een verleiding in zich: van mooie woorden die ons wegleiden van de realiteit. De realiteit van verwoest land, een meisje dat schreeuwt.
Zachtheid, schoonheid, kwetsbaarheid, rechtvaardigheid: ze zijn zo fundamenteel, het mogen geen trucjes worden, geen performance. Filosofe Lisa Doeland spreekt van gevaarlijke fantasieën. Die houden we erop na om onszelf te beschermen tegen de pijnlijke waarheid dat de wereld zoals wij die kennen allang voorbij is. Ze noemt het wreed optimisme, zoals de illusie dat recyclen en een circulaire economie de klimaatcrisis kunnen afwenden. Ze zegt: we handelen niet voordat het te laat is, maar omdát het te laat is.
We verlangen naar zachtheid en troost. Ja. Ik vraag me af of Advent zo’n zachte tijd is. Het is in de christelijke traditie een tijd geweest van vasten en boete. Het is een tijd waarin dingen aan het licht komen, een onthullende tijd. Een visioen zou ons met de neus op het contrast moeten drukken.
In de heuvels onder Hebron, in het dorpje Umm al Kheir, zat ik in een kleine huiskamer. Umm al Kheir is een van de bedoeïenen-dorpen die worden bedreigd door de uitbreiding van illegale Israëlische nederzettingen en het geweld van de kolonisten. Een jaar of vijftien geleden was ik er ook, en ook toen vertelde Eid Hathaleen, onze gastheer, over de dreiging van kolonisten, de sloop van huizen, en het creatieve verzet dat ze tegenover de Israëlische overmacht proberen te stellen.
Alles in dit dorp is geïmproviseerd en tijdelijk, er kan zo een bulldozer komen. Ik kon al voelen hoe klam en kil de huiskamer zou worden in de winter, en hoe heet in de zomer. Een dak, muren, derdehands banken, een oud tapijt. Een beetje beschutting, meer niet. De vrouw bij wie we op bezoek waren, vertelde over de moord op haar echtgenoot, Awdeh. Voor wie No other land heeft gezien: daar komt ook het dorpje Umm al Kheir in voor, als een van de bedreigde bedoeïendorpen, en ook Awdeh Halthaleen. Ze vertelde over Awdeh, hoeveel hij van zijn kinderen hield, hoeveel zij van hem hield, hoe belangrijk hij was niet alleen in het gezin, maar in het hele dorp. Hij was leraar, en activist. Awdeh die zijn eigen dood filmde, omdat een Israëlische kolonist hem neerschoot terwijl hij hun geweld filmde. Terwijl hij zijn kind droeg op zijn arm.
We zitten daar allemaal met tranen in onze ogen. Het is lelijk. De huiskamer is lelijk. De dood van Awdeh is lelijk. Lelijk is dat het Israëlische leger hem liet doodbloeden, weigerde zijn lichaam aan zijn familie terug te geven. De vrouwen van Umm al Kheir gingen in hongerstaking, vier dagen lang. De weduwe vertelt hoe haar kind zegt dat hij ook dood wil, om bij zijn vader te zijn.
Eid heeft een visioen, daar ligt het niet aan. Hij vertelt ons erover, zoals hij dat vijftien jaar geleden ook deed. Recent zei hij in Trouw dat hij de rechten van alle mensen wil verdedigen: ‘We blijven het pad volgen van het vreedzame verzet. Dat is een kernwaarde die ik al die jaren heb hooggehouden, net zoals mijn vader dat deed, en mijn neef Awdah ook.’ Daarvoor zet hij zich dagelijks in, maar tevergeefs. Dat ís schoonheid. Maar het staat op barsten. Het is schoonheid die pijn doet.
Je moet beschikken over grote innerlijke schoonheid om de lelijkheid te kunnen zien, om het uit te houden in Umm al Kheir en op zoveel andere plekken. Eid beschikt over het vermogen zich een andere wereld voor te stellen. En hij ziet het contrast tussen hoe het is, en hoe het zou kunnen zijn. Dear friends, zei Eid steeds, en dan vertelde hij nog iets, iets onverdraaglijks.
Ik ben de afgelopen twee jaar geschrokken van de lelijkheid die we toestaan, die we kennelijk bereid zijn op de koop toe te nemen. In de heuvels van rondom Bethlehem voel je soms een doffe dreun. Het is een bom die valt in Gaza. Nog steeds.
Soms is het alsof schoonheid een filter is dat we naar believen kunnen plakken op wat ons aan de werkelijkheid niet bevalt. Het is een tijd van crisis, geweld, en van steeds nieuwe strategieën om daarvan weg te bewegen. Een tijd die vraagt om apocalyps, letterlijk: om onthullling. Om het vinden en spreken van de juiste woorden om precies recht te doen aan het verschrikkelijke. Ik was ook in Palestina voor de presentatie van het nieuwe Kairos-document. Dat is een onthullend document. Er staat: ‘We moeten de dingen bij hun juiste naam noemen: Israël is een koloniale, bezettende, uitsluitende entiteit die is gestoeld op de verdrijving van de inheemse bevolking en de vervanging daarvan door nieuwe kolonisten.’ Palestijnen vragen in het Kairos-document om costly solidarity. Want het zal ons wat kosten, willen we ook maar een begin maken met een andere wereld.
Deze tijd vraagt erom dat we in beweging komen, om burgerlijke ongehoorzaamheid. En daar hoort bij: verdragen dat mensen je lelijk vinden. Beweeg niet te gauw weg van emoties waarvan je denkt dat ze niet horen. Botvier ze niet. Maar laat ze zijn. Voel de kracht ervan. Christenen hebben het graag over de andere wang, maar keer niet de andere wang toe zonder te voelen wat er in je omgaat. Het mag geen trucje worden, lieve mensen, om te zeggen: We refuse to be enemies. Geen stoplap: de zachte krachten zullen winnen.
Ik wil dat de lelijkheid zichtbaar is. Dat we het durven zien. Ik ben nieuwsgierig naar mensen die lelijk durven zijn als de omstandigheden daarom vragen. Naar hoe ze dat doen. Dat je een kuffiyeh omdoet als je weet dat je scheve blikken krijgt. Dat je meedoet aan een demonstratie, een waarvan de mensen schande spreken, waar de politie je arresteert. Dat je het filter uitzet en zegt: is dit niet lelijk, moeten we hier niet iets mee? Dat je het durft te verdragen als mensen zich tegen je keren, je niet leuk en aardig vinden, maar lelijk.
Soms voel je een dreun. Het is een bom die valt in Gaza. Nog steeds. Laat je niet in pakken door retoriek over wapenstilstand. Vrouwen worden uitgeleverd aan Afghanistan. En niet alleen in Gaza gaat de genocide door, omdat er geld mee wordt verdiend, belangen mee zijn gemoeid. En wij zagen op tegen het gedoe. We waren niet zo geschikt voor de rol van aanklager. We wilden onze beschutte plek niet verliezen.
Dear friends, laat je niet inpakken. En sta niet toe dat je jezelf inpakt. Soms voel ik het bij mezelf: alsof ik onder water ga. Een soort innerlijk afhaken. En soms, als ik me dat onder water gaan gewaarwordt, probeer ik mezelf bij de lurven te pakken. Mijn woede te voelen, en de energie die daar zit. Ik eis mijn woede op. Deze woede is van mij, hij past, ik neem er geen afstand van. Sta niet toe dat een visioen een romantisch verhaal wordt. Dat je denkt: ‘het zal er heus wel eens een keer van komen’.
Visioenen die niet worden toegeëigend, waar niet genoeg draagkracht voor is, ze verliezen hun kracht, ze gaan vals klinken. Solidariteit, de onveiligheid die dat met zich meebrengt, zo onze nek uitsteken, de lelijkheid in de ogen kijken: durven we het aan?
Dit is een bewerking van de preek die Janneke Stegeman op 14 december hield in de Dominicuskerk te Amsterdam.
