Nihoms ‘caleidoscoop’ registreert een veelkleurige, zeer uiteenlopende diversiteit aan personen en groepen, die ze stuk voor stuk tegen het licht houdt. Zo vormt zich haar veelkleurige ‘mandala van mensen van goede wil’ binnen een exclusieve staat die de ander geen bescherming wil bieden. Haar zoektocht naar deze positieve mensen en initiatieven houdt haar op de been, daarbij is haar telkens terugkerende afkeer van ‘politiek’ wel opvallend. Ze houdt de politieke werkelijkheid soms wat te angstvallig buiten haar ‘kosmos’ al laat ze in het begin van haar boek open, of die afkeer uiteindelijk misschien niet ook ‘politiek’ kan zijn. Mijn vraag is of een eenzijdige focus op alternatieve, positieve fenomenen, zonder daarvoor ook een politiek perspectief te bieden voor een zo verscheurde kosmos, wel volstaat.

Joanne Nihom ervaart bijvoorbeeld een grote sympathie voor de Hand in Hand Schools. Joodse en Palestijnse kinderen in Israël die samen naar private scholen gaan, waar harmonisatie en integratie de norm zijn. “Waren we allemaal nog maar kinderen, dan zou er geen conflict zijn…” verzucht Joanne na haar bezoek. Ook bisschop Elias Chacour nam begin jaren tachtig een initiatief tot zo’n type school: Mar Elias in Ibillin. Chacour geeft in een van zijn boeken inzicht in wie en wat hem tegenwerkte, met name een overheid die helemaal niet op zoek is naar integratie. Hij zegt zelf tweederangs burger van Israël te zijn. In zijn Israëlische paspoort wordt hij aangeduid als 02, ofwel Arabier; 01 dat zijn de Joden. Alleen door een gewiekst politiek kat-en-muis spel kreeg hij zijn school toch van de grond. Hoe zijn de politieke kansen voor visionaire onderwijshervormers in het land?

Nihom schrijft dat praten over politiek op Arabische scholen “verboden” is. Waarom zou dat zijn? Zijn er ook andere scholen waar ze de politiek buiten de deur houden? Doen ze dat omwille van de lieve vrede? Angst om gecensureerd te worden? Iedere school zou zich natuurlijk vrij en veilig moeten voelen om leerlingen te helpen mondige, betrokken burgers te worden. Een prioriteit, lijkt me, om hen voor te bereiden op een snoeiharde samenleving, die, als ik dit schrijf, op de rand van een burgeroorlog verkeert. Vroeg leren praten dus over ‘politiek’, wat ‘politiek’ met jou en anderen doet en wat jouw positieve bijdrage kan zijn aan de ‘politiek’.

In het verhaal over een clini-clown in Gaza, die onder druk van Hamas ermee moest stoppen, lees ik zijn conclusie: “Politici zorgen voor verdeeldheid onder de mensen, clowns voor eenheid en vrolijkheid”. Ik begrijp Nihoms respect voor deze man met zijn trieste kijk op het publieke leven. Maar toch: gelatenheid volstaat natuurlijk niet, oog in oog met wat Gaza voor de zoveelste keer wordt aangedaan door foute politici.

Een christen in het Israëlische leger

Elias Gabby Karam, ‘de eerste christelijke Arabier in het Israëlische leger’, wordt door Nihom geportretteerd als een inspirerende voorloper. De auteur vraagt zich tot haar eigen verontrusting zelfs af waarom deze Karam eigenlijk geen premier van Israël zou kunnen worden.

De volgende ‘politieke’ vraag zou dan moeten zijn: waarom blijft het ook nu voor de meeste Palestijnse christenen not done, om in de IDF (het Israëlische leger) te gaan? De kerken in Israël hebben een aantal jaren geleden nota bene geprotesteerd, toen het Israëlische christenen ineens gemakkelijker werd gemaakt om militair te worden, als zij zich maar niet langer ‘Palestijn’ of ‘Arabier’ wilden noemen. Ze kregen het curieuze aanbod zichzelf te kunnen aanmelden als ‘Arameeër’. Arameeërs zijn een oud, christelijk volk in het Midden Oosten, maar, zeiden de kerken, een staat kan en mag zo’n etiket niet zomaar uitdelen om iemand te de-arabiseren. Dat is geen emancipatie, maar verdeel-en-heers politiek. Hoe kijkt deze Karam daar zelf tegenaan? Moet hij bijvoorbeeld ook diensten draaien in de bezette gebieden? Wat doet dat met hem? Zulke ‘politieke’ vragen moeten naar mijn idee juist wel gesteld worden.

Aangrijpend is het relaas over de twaalfjarige Joodse Bat Chen, die in Tel Aviv bij een aanslag om het leven kwam en een dagboekje naliet met onder meer de aangrijpende zin: “…er zijn Arabische moordenaars, net zoals er Joodse moordenaars zijn, in elk land zijn goede en slechte mensen”. Voor een twaalfjarige is dat een diepgaand inzicht, te meer omdat veel volwassenen na het verliezen van hun eigen onbevangenheid dit onderscheidend vermogen inruilen voor een simpel ‘wij’ en ‘zij’.

Er zijn heel veel ‘Bat Chens’, ook nu weer in deze oorlog, die geen dagboek nalaten. Opnieuw komen veel grotere aantallen Palestijnse kinderen om bij het geweld. Dat is al veel langer de bittere ‘politieke’ realiteit. Joanne Nihom ontkent die niet, maar lijkt die ook weleens aan zich voorbij te willen laten gaan: “Ik luister. Ik luister ook niet: ik wil niet alles horen. Politiek. Sinds ik hier woon geloof ik er niet meer in”. Het zijn zinnen, waarin haar eigen verontrusting en crisis doorklinken. Het verdient respect, dat ze die niettemin wil delen.

Tijdens een zoom-conferentie, met Parents Circle, een organisatie die families met slachtoffers van het geweld aan twee zijden samenbrengt, maakt Joanne Nihom deze aantekening: “Samen Israeli’s, Palestijnen. Pijn en hoop delen. We zijn allen slachtoffers, samen voor een betere toekomst. Bruggenbouwers.” Ondertussen  worstelt ze intens met de verdrietige verhalen die ze hoort, van mensen die tegen de klippen op blijven getuigen van een hoop die niet sterven wil. “Bij niemand” zegt ze, “is er ook maar één woord van haat, wraak of een andere negatieve uiting”. Ze constateert en passant: “Politiek wordt niet benoemd”. Maar is dat positief voor een land waar het wel lijkt ingebakken, dat slachtoffers daders worden en omgekeerd?

In die context verheug je je natuurlijk over de vriendschap van een jood, een christen en een moslim die samen tot de ontdekking komen “dat religie ons bindt in plaats van dat die ons scheidt”.  Ze hebben er een organisatie voor opgericht. Aan zulke mensen kun je de toekomst toevertrouwen… denk ik dan. Maar zij haasten zich eraan toe te voegen, dat er tussen hen over ‘politiek’ niet gesproken wordt. Waarom? Wanneer mag hun ‘ontdekking’ wel ‘politiek’ vrucht dragen?

Hoe neutraal kan een gids zijn?

over-grenzen-boekcover

Nihoms ontmoeting met een joodse en een moslim-gids, die hun werk voor toeristen juist samen doen, laat je kennismaken met twee integere mannen die hun groepen meerdere kanten van de werkelijkheid willen laten zien. Maar welke spanningen roept dat toch nog op? De moslim zegt het “met veel politieke zaken” in zijn land “niet eens” te zijn, en zegt erbij zich tegenover zijn reisgroepen liever “neutraal” op te stellen. Ik begrijp dat hij de spanning die hij als persoon kennelijk in zijn werk ervaart, op die manier onder controle houdt.

In de – in de literatuur zogeheten – ‘arena van pelgrims’ wordt de relatie tussen een gids en een groep altijd als apart en ook wel complex beschouwd. In het boek van Jackie Feldman A Jewish Guide in the Holy Land. How Christians Pilgrims Made Me Israeli geeft de auteur daarvan veel voorbeelden uit zijn eigen praktijk. Jonge Joden, zo weet ik uit mijn eigen onderzoek, krijgen op hun gratis Birthright-reis, hun passende gidsen mee. De organisatoren hopen namelijk dat ze thuis fiere pleitbezorgers zullen worden van de staat Israël. ‘Christenzionisten’ willen juist gidsen die hen de sacraliteit van de staat laten ervaren. Daarnaast zijn er ook jonge joodse toeristen die zich, in reactie op Birthright geen geboorterecht op het land laten aanpraten, en zich ostentatief Birthleft noemen. Ze lijken wel wat op de christelijke pelgrims die na de oproep van Palestijnse christenen, deelnemen aan ‘Kom en zie’-reizen. Ze zoeken, niet neutraal, naar plaatsen en mensen die politiek verontrusten, waarna deze pelgrims, al dan niet met hun gids, misschien wel gaan bidden bij een checkpoint.

Ik ben daarom nieuwsgierig naar wat precies het verschil zal zijn in een reis van de joodse en moslim-gids die Nihom in haar boek een plek geeft, en hoe dat verder uitpakt.

Het gaat me er niet om deze en zoveel andere grootmoedige mensen en tegendraadse initiatieven af te zwakken of weg te wuiven. Nihom is bijvoorbeeld terecht onder de indruk van de Combattants for Peace, een club van oud-strijders aan beide kanten die niet meer tegen elkaar willen vechten. Ik zou ook Breaking the Silence willen noemen, oud-militairen die voor de dag zijn gekomen met hun eigen mensenrechtenschendingen.

Kolonisten die zich verschansen in hun eigen bubbel en volkomen opgaan in hun eigen gelijk, zouden misschien wat hebben aan de app van Zochrot, een Israëlische mensenrechtengroep die Israëli en toeristen op de plek waar ze zijn direct laat zien wie daar vóór 1948 woonden, welke kerk of moskee er in het plantsoen om de hoek stond en die ‘het recht op terugkeer’ bespreekbaar maakt, terwijl ondertussen de uitzettingen en annexaties in Oost-Jeruzalem en in de bezette gebieden wel onverdroten doorgaan.

Zonder profetie vervalt het volk

Al lezende ging ik mij steeds meer afvragen of het voortdurend taboeïseren van ‘de politiek’ geen deel van het probleem wordt als het gaat om de vraag wie hiertegen effectief in verzet kan zijn. Komen de politiek verantwoordelijken in het land maar ook daarbuiten, zo niet veel te gemakkelijk weg met onrecht dat hen goed uitkomt of dat ze te lastig vinden om aan te pakken als de politiek buiten beschouwing blijft?

Toch kun je de initiatieven in het boek van Joanne Nihom ook weer niet zomaar afwijzen als leidend tot ‘normalisatie’ van een toestand die in de grond van de zaak niet normaal is. ‘Anti-normalisatie’ kan immers weer leiden tot een ander taboe. Denk aan het niet meer ontmoeten van mensen die elkaar, juist nu, wel nodig hebben om een nieuw, bevrijdend politiek perspectief uit te vinden; een integraal perspectief, dat uitgaat van ‘gelijke burgerrechten voor alle bewoners van het land’.

Dat is een grensverleggend perspectief dat alle gepasseerde vragen naar één, twee of drie staten voorbij is. Een perspectief dat mensen verbindt in een ondeelbare politieke missie: om het land tot in zijn fundamenten te willen hervormen. Dat vereist een praktische, maar ook een ‘profetische’ politieke instelling.

Dorothee Sölle’s boek Ein Volk ohne Vision geht zugrunde baseert zich op het Bijbelboek Spreuken: “Zonder profetie vervalt het volk tot bandeloosheid”. Die notie keert ook terug bij de joodse theoloog en politiek filosoof Mark Ellis die het politieke zionisme confronteert met zijn fixatie op eigen macht en overheersing, iets wat de joodse profeten juist bekritiseren. Ik denk ook aan een jonge religiewetenschapper Leora Alcheck die in de geest van de kerkvader Augustinus en van de joodse politiek filosofe Hannah Arendt, het zionisme wijst op de valkuil van overspannen ‘politiek idealisme’ dat blind is geworden is voor de eigen duistere kanten. Alle drie laten ze zien wat ‘politiek’ spreken kan betekenen voor mensen die nu het verschil willen maken.

Joanne Nihom, Over Grenzen, Mijn leven in Israël. KokBoekencentrum, Utrecht 2021. ISBN 978 90 435 3554 0 ; ISBN  978 90 435 3555 7 (e-book) Prijs: € 18,99 . E-book: € 9,99

Joanne Nihom

“In Israël heb ik geleerd genuanceerder te denken”

Joanne Nihom schreef een boek over co-existentie tussen Israëli’s en Palestijnen

Gied ten Berge

Gied ten Berge

Socioloog en theoloog

Dr. Gied ten Berge (73) is socioloog en katholiek theoloog. Hij is oud-voorzitter van het Steuncomité voor Israëlische Vredes- en …
Profiel-pagina
Al 3 reacties — praat mee.