Hoewel ik nog steeds achter het streven van deze 22-jarige theologiestudente van toen sta, en ik onder andere in mijn proefschrift over de christologie heb geprobeerd aan dit voornemen bij te dragen, realiseer ik me inmiddels maar al te goed dat dergelijke systemische veranderingen eerder in een eschatologisch perspectief moeten worden gezien dan in het ‘hier en nu’ van jeugdig ongeduld. In ieder geval opende de ontmoeting met Yehuda Aschkenasy en de rabbijnse literatuur voor mij een nieuwe denk- en leefwereld, die mijn vorming als mens en theoloog duurzaam heeft beïnvloed.

Het eerste boek dat ik in het voorjaar van 1984 bestudeerde was Gott sucht den Menschen van Abraham Joshua Heschel. Het was in de serie ‘Information Judentum’ verschenen, die Yehuda Aschkenasy en Heinz Kremer bij de Neukirchener Verlag in samenwerking met de Folkertsma Stichting hadden opgezet.

Het boek trok onmiddellijk mijn aandacht. Ondanks dat het in 1955 was geschreven, kwam het geenszins gedateerd over. Sterker nog, het behandelde alle grote levensvragen die op dat moment voor mij existentieel en theologisch relevant waren. Dit boek was geen droge kost, geen conventionele theologische verhandeling over abstracte leerstellingen met bijbehorende uitleg. Hier was een wijze geleerde aan het woord, die in heldere taal uiteenzette dat religie een antwoord vormt op de diepste vragen van de mens. Bij Heschel stonden menselijke ervaring en goddelijke openbaring niet tegenover elkaar maar in relatie.

Mijn ‘ik’ deed ertoe, al was het niet de laatste autoriteit. Van Heschel leerde ik dat het van essentieel belang is steeds opnieuw te beseffen dat het ‘ik’ kan falen en het daarover berouw kan, mag en moet tonen. Het woord God was voor Heschel niet alleen een begrip, maar een uitdaging. ‘We kunnen Zijn aanwezigheid voelen, maar Zijn wezen niet’, schreef hij.

Ook al vond ik zijn uitsluitend in mannelijke taal over God spreken irritant – immers, feministische theologen hadden inmiddels een exclusief mannelijk spreken over God als onderdrukkend voor vrouwen ontmaskerd –, ik bleef verder lezen.

Ik begreep dat Joden geen ‘concepten van God’ hadden. Wat Joden hebben, zei Heschel, is geloof. Geloof in Gods bereidheid om naar hen te luisteren en geloof om de nabijheid Gods te voelen. Het gaat in het jodendom niet om het definiëren van religie, maar om het getuigen van Gods zorg voor de mensheid. Geen enkel concept kan de grootheid van God adequaat uitdrukken. God is geen wezen wiens bestaan kan worden bewezen door logisch te redeneren. God is een realiteit waarvan we ons bewust worden, en wanneer dat gebeurt, ‘worden alle concepten simplistische clichés’.

Ook wat ik binnen de christelijke theologie over ‘Joodse werkgerechtigheid’ had geleerd, zat vanuit Joods perspectief anders in elkaar. Heschel schreef:

Door als Joden te leven verwerven wij ons geloof als Joden. We hebben geen geloof in daden; we bereiken geloof door daden. Toen Mozes aan het volk de geboden van het verbond met God voorlegde, antwoordde het volk: ‘Wij zullen doen en wij zullen horen.’ Deze uitspraak werd geïnterpreteerd in de betekenis van: door te doen nemen wij waar.

S. Heschel, Moral Grandeur and Spiritual Audacity, p.137.

God kan door de mens niet worden ‘begrepen’. God is en blijft een mysterie dat je kunt ervaren en omarmen en waarmee je een spirituele relatie kunt aangaan om in het leven betekenis te vinden. En… om je te engageren in een ethische en morele zoektocht naar het goede. Wie meent dat de Bijbel over God gaat, heeft het mis. Volgens Heschel gaat de Bijbel over de mens, de mens die in de wereld is met een opdracht.

Het menselijk leven is ‘in de wereld zijn met een opdracht’, niet gewoon ‘in de wereld zijn’. De wereld dringt zich aan me op en er is geen ontkomen aan. De mens wordt er onophoudelijk aan blootgesteld en wordt uitgedaagd – om haar te ervaren en te begrijpen. […] Het bewustzijn van het zelf ontstaat als we worden uitgedaagd, als er een beroep op ons wordt gedaan, als we moeten kiezen tussen weigeren en antwoorden.

A.J. Heschel, Wie is de mens, Skandalon, Middelburg 2022, p.145/146.

Heschel nodigt ertoe uit om verbinding te maken met een levendige en diepgaande transcendente dimensie in het menselijk bestaan en ethisch verantwoord in de wereld te staan. Geen ontologische benadering van zijn ligt hieraan ten grondslag, maar een bijbelse benadering van leven.

Een belangrijk verschil tussen ontologisch en Bijbels denken is dat het eerste de mens in verband probeert te brengen met transcendentie die ‘zijn’ heet, terwijl het tweede, vanuit het besef dat het menselijk zijn meer is dan ‘zijn’, dat het menselijk zijn levend zijn is, de mens in verband probeert te brengen met goddelijk leven, met een transcendentie die de levende God wordt genoemd.

A.J. Heschel, Wie is de mens, Skandalon, Middelburg 2022, p.100.

God zoekt en roept de mens en de mens kan daarop wel of niet antwoorden: hineni, hier ben ik. Kortgezegd, mens zijn in de bijbelse zin betekent: Ik heb een opdracht, dus ik ben.

Profetisch spreken

In 1962 verscheen Heschels boek The Prophets in de VS. Het was een meesterwerk dat alom werd geprezen. Dertig jaar eerder had hij zijn proefschrift over dit onderwerp voltooid aan de Friedrich Wilhelm Universität in Berlijn, nu bekend als Humbold Universität. Het duurde echter nog drie jaar voordat hij zijn bul ontving, omdat zijn proefschrift, getiteld Prophetisches Bewusstsein, nog gepubliceerd moest worden, wat een voorwaarde was voor het verkrijgen van het diploma. Zijn financiële situatie liet een eigen bekostiging niet toe. Bovendien was Adolf Hitler drie weken voor zijn examen aan de macht gekomen, wat het voor een Joodse academicus extra moeilijk maakte om financiers en een uitgever te vinden. Uiteindelijk lukte het en werd het proefschrift onder de titel Die Prophetie in het voorjaar van 1936 uitgegeven door de Poolse Academie van Wetenschappen in Krakau.

Heschel presenteerde een verfrissende nieuwe interpretatie van de profeten. Hoe denken, voelen, reageren en handelen zij? Wat drijft hen? Heschel wilde opnieuw waarnemen en zich laten verrassen door wat hij zag, onder het motto: Niet zien wat we al weten, maar weten wat we zien! Later zal hij de diepe spirituele band tussen de profeten en God benadrukken. Hij ziet de profeten niet langer louter als Zijn boodschappers, maar als individuen die intense en persoonlijke ervaringen hadden van Gods aanwezigheid en roeping en daarop antwoordden. In de inleiding van De Profeten schrijft Heschel:

De profeet is een persoon, geen microfoon. Hij is begiftigd met een missie, met de kracht van een hem gegeven woord – dat maakt zijn grootsheid uit – maar ook met temperament, betrokkenheid, karakter en individualiteit. Zoals hij geen weerstand kan bieden aan de aandrang van de goddelijke inspiratie, zo kan hij op bepaalde momenten geen weerstand bieden aan de zuigkracht van zijn eigen temperament. Het woord van God resoneert in de stem van de mens.

A.J. Heschel, De Profeten, p.19

God is gericht op deze wereld met aandacht en betrokkenheid en met zorg voor de mens. Dit is Gods pathos en dit besef ligt volgens Heschel ten grondslag aan het profetisch bewustzijn. Er is een haast intieme relatie tussen God en profeten – een verstrengeling van transcendentie en immanentie. Of zoals Heschel het noemt in het concluderende hoofdstuk van zijn boek: een transcendente anticipatie. ‘De profetische ervaring is het ervaren van een goddelijke ervaring of het besef ervaren te zijn door God.’

Susannah Heschel, dochter van Heschel en hoogleraar voor Joodse Studies aan het Dartmouth College, wijst erop dat Heschels zienswijze dat God niet alleen de mens beïnvloedt, maar zelf ook beïnvloed wordt door de mens, afkomstig is uit de rabbijnse literatuur en ook in latere Joodse religieuze gedachten te vinden is.

‘Hij [Heschel] vertaalde de Hebreeuwse term zoreh gavoha met ‘goddelijk pathos’. Gods responsiviteit naar mensen wordt een theologisch mandaat voor menselijke betrokkenheid; hij schreef dat het tegenovergestelde van goed niet kwaad is, maar onverschilligheid.’

S. Heschel, ‘A Different Kind of Theo-Politics: Abraham Joshua Heschel, the Prophets and the Civil Rights Movement’, Political Theology 2019.

Bijbelse profeten zijn bij Heschel niet louter historische figuren. Eerder zijn zij visionairs en gidsen voor hedendaags moreel en rechtvaardig denken en handelen. Hun betekenis is tijdloos ook al is hun spreken in een bepaalde context gedaan. Ephraim Meir, emeritus-hoogleraar voor Joodse filosofie aan de Bar-Ilan University in Ramat-Gan, Israël, noemt Heschels profeten ‘spiritueel radicalen’ die zich vanuit een diepe emotionele verbondenheid met Gods zorg voor de mensheid actief inzetten voor sociale en politieke kwesties. Zij laten zien dat God actief betrokken is bij het welzijn van mensen, wat resulteert in de morele en ethische verantwoordelijkheid van mensen om sociale rechtvaardigheid na te streven.

Profeten eisen sociale en politieke betrokkenheid. Zij zijn moreel onaangepast en lijden daar vaak zelf onder. Conventionele leugens met concessies aan de zwakte van de mens zijn onacceptabel voor de profeet. Volgens Heschel heeft het sluiten van compromissen het menselijke ras gecorrumpeerd. Het zal niet verbazen dat ook Heschels profeten compromissen verafschuwden. De prijs die de profeet voor dit gedrag betaalt is dan ook vaak ‘morele waanzin’, niet te verwarren met psychologische waanzin, merkt Heschel nadrukkelijk op. Volgens Susannah Heschel ontwikkelde Heschel ‘een theorie van profetisch bewustzijn waarin sympathie met God, bewustzijn van Gods innerlijke leven en pathos centraal stonden. De sterke emoties van de profeten komen voort uit hun identificatie met goddelijk pathos.’

Opvallend is – en Susannah Heschel wijst erop in haar artikel ‘A Different Kind of Theo-Politics’ – dat Martin Luther King in 1957 in soortgelijke bewoordingen over zijn eigen ‘onaangepastheid’ spreekt:

Ik ben niet van plan me aan te passen aan een economisch systeem dat de noden van de massa’s wegneemt om luxe te geven aan de klassen. Ik ben niet van plan me aan te passen aan de waanzin van militarisme en de zelfvernietigende effecten van fysiek geweld. En mijn vrienden, ik roep jullie op om je te ontregelen door dit alles, want het kan zijn dat het heil van de wereld in handen ligt van de ontregelden. De uitdaging van dit uur is om ontregeld te zijn. Ja, net zo ontregeld als de profeet Amos, die te midden van de tragische onrechtvaardigheden van zijn tijd kon uitroepen in woorden die door de generaties heen weerklinken: ‘Laat het oordeel neerkomen als water en gerechtigheid als een machtige stroom.’ […] De wereld heeft dringend behoefte aan zo’n ontregeling. En door zo’n moedige ontregeling zullen we in staat zijn om op te staan uit de sombere en troosteloze middernacht van de onmenselijkheid van de mens naar de stralende dageraad van vrijheid en rechtvaardigheid.

Geciteerd naar S. Heschel, ‘A Different Kind of Theo-Politics’, p.13-14

Dat Heschel met zijn theologische analyse van de profeten Martin Luther Kings droom en daarmee ook de burgerrechtenbeweging inspireerde, staat buiten kijf. Immers, de bijbelse profeten en de Exodus-traditie speelden ook binnen de zwarte kerk, in liederen en preken, altijd al een belangrijke rol. Susannah Heschel constateert terecht dat mede door Heschels toedoen de beweging voor zwarte burgerrechten niet alleen een beweging voor politieke verandering werd, maar ook een beweging die ingebed was in een goddelijk plan van verlossing in de geschiedenis, waarin God voelbaar aanwezig was.

Profetie is verankerd in burgerplicht. Je luistert niet alleen naar een profeet, je wordt min of meer gedwongen om te handelen, omdat profetie je bewustmaakt van je morele verplichting. Een morele verplichting niet alleen jegens de profeet, maar ook jegens allen die lijden als gevolg van onze immorele samenleving. ‘God raast in de woorden van de profeet’, schrijft Heschel, en die goddelijke woede van de profeten horen, betekent het einde aan zelfgenoegzaamheid en de volstrekte onmogelijkheid van onverschilligheid.

Civil Rights Movement

Aan President John F. Kennedy, Het Witte Huis, 16 juni 1963

Ik kijk uit naar het voorrecht om morgen om 16.00 uur aanwezig te zijn bij de bijeenkomst. Er bestaat een waarschijnlijkheid dat het probleem van de Afro-Amerikanen zal zijn zoals het weer. Iedereen praat erover, maar niemand onderneemt actie. Eis alstublieft persoonlijke betrokkenheid van religieuze leiders, niet alleen plechtige verklaringen. We verspelen het recht om God te aanbidden zolang we doorgaan met het vernederen van zwarte mensen. Kerk en synagoge hebben gefaald. Ze moeten zich bekeren. Vraag religieuze leiders om op te roepen tot nationaal berouw en persoonlijke opoffering. Laat religieuze leiders een maandsalaris doneren voor het fonds voor huisvesting en onderwijs voor Afro-Amerikanen. Ik stel voor dat u, meneer de president, de noodtoestand op moreel gebied afkondigt. Een Marshallplan voor hulp aan Afro-Amerikanen wordt steeds noodzakelijker. Het moment vereist hoge morele grootsheid en spirituele durf.

Abraham Joshua Heschel

S. Heschel, Moral Grandeur and Spiritual Audacity, vii.

Met dit telegram van Heschel aan John F. Kennedy opent een bundel met essays, lezingen en artikelen die Susannah Heschel van haar beroemde vader, rabbijn, auteur, activist en theoloog heeft samengesteld. De toon is gezet. De laatste zes woorden in het telegram ‘high moral grandeur and spiritual audacity’ koos zij als titel voor het boek, omdat ze haar vader ten voeten uit typeren.

Toon en inhoud van het telegram aan de president van de Verenigde Staten laten geen ruimte voor twijfel: Heschel is diep verontwaardigd over het uitblijven van steun voor de Afro-Amerikaanse bevolking. Net als de profeten uit het oude Israël klaagt hij de verantwoordelijken voor dit onrecht aan en roept Kennedy vol pathos op hen de les te lezen. Graag had ik geweten hoe Kennedy bij ontvangst van dit telegram reageerde: geschokt, geërgerd, gealarmeerd, geamuseerd, onverschillig? Heeft hij gehoorgegeven aan Heschels verzoek om de religieuze leiders vermanend toe te spreken? Duidelijk is dat Heschel met hart en ziel en vol theologisch-profetische overtuiging achter de strijd van de Civil Rights Movement staat en zich met passie inzet om racisme te bevechten. Geweldloos. Net als King, wiens grote voorbeeld wat geweldloos verzet betreft Mahatma Gandhi was.

Behalve dat deze onverschrokken solidariteit bij Heschel voortkwam uit zijn religieuze overtuiging met als voorbeeld de profeten, vermoedt Susannah Heschel dat zijn radicale afwijzing van het gedogen van racisme ook te maken had met zijn ervaringen tijdens het naziregime in Duitsland, waar maar weinig collega’s het opnamen voor hun Joodse collega’s en medeburgers.

Het mag duidelijk zijn, Heschel noch King waren wereldvreemde idealisten. Heschel kende de gruwelen van het totalitaire naziregime en keerde na zijn emigratie naar de VS nooit meer terug naar Duitsland of Polen. Ook King was zich ervan bewust dat de beloved community, die hij als christelijke zwarte dominee aan de Bijbel refererend in zijn toespraak ‘I have a dream’ (1963) had opgeroepen, niet van vandaag op morgen gerealiseerd zou worden. Hij wist dat de mars van Selma naar Montgomery en de vele sit-ins niet het einde, maar pas het begin waren van een lange weg naar vrijheid voor zwarte mensen. Steeds duidelijker benadrukte King in de loop der jaren dat structurele economische en politieke veranderingen nodig waren om gelijke rechten ook daadwerkelijk in praktijk te brengen.

Ondanks het grote leeftijdsverschil werden Heschel en King vrienden. Beiden waren geraakt door de bijbelse profeten, die niet alleen om politieke verandering vroegen, maar ook een goddelijk plan van een verlossende geschiedenis lieten doorschemeren, waarin Gods aanwezigheid voelbaar was. Ze spraken met elkaar over politiek en geloof en ondersteunden elkaar in hun protest tegen maatschappelijk onrecht.

Heschel werd een belangrijke steunpilaar voor de Afro-Amerikaanse strijd tegen racisme en King ging op het verzoek van Heschel in om net als hij publiekelijk de oorlog in Vietnam te veroordelen, wetende dat hij daarmee het risico liep de steun te verliezen van president Johnson voor zijn antiracismestrijd, wat ook gebeurde.

Heschel en King zochten naar een ‘nieuw wij’ in de samenleving, naar verbinding en compassie die wortelde in de toewijding aan een morele eis en die losstond van de wetten van de staat. Kings ‘beloved community’ was zo’n morele gemeenschap, een alternatief burgerschap van geweldloosheid dat probeert te overwinnen wat King identificeerde als de drie kwalen van de staat: armoede, racisme en militarisme.

Vanuit een onwrikbaar geloof in een God van liefde, die de mens als Zijn evenbeeld had geschapen en die het opnam voor de rechten van de onderdrukten en emarginaliseerden, waren Heschel en King ervan overtuigd dat verzet tegen onrecht en de daaruit voortkomende maatschappelijke transformaties vreedzaam moesten gebeuren. Alleen gezamenlijk kon dat messiaanse visioen van een nieuwe wereld werkelijkheid worden: zwart én wit, joden én christenen, vrouwen én mannen. Het welzijn van elke mens is onlosmakelijk verbonden met het welzijn van alle mensen.

Tien dagen voordat King vermoord werd, sprak hij nog op een rabbijnenconvent ter ere van Heschel. In zijn introductie prees Heschel King met de woorden:

Waar horen we in Amerika vandaag een stem als die van de profeten van Israël? Martin Luther King is een teken dat God de Verenigde Staten van Amerika niet heeft verlaten. God heeft hem naar ons gestuurd. Zijn aanwezigheid is de hoop van Amerika. Zijn missie is heilig, zijn leiderschap van het grootste belang voor ons allemaal.

S. Heschel, ‘A Different Kind of Theo-Politics’, p.17.

Als reactie hierop zei King dat Heschel een ‘waarachtig grote profeet’ is en hij vervolgde:

[…] hier en daar vinden we degenen die weigeren stil te blijven zitten achter de veilige zekerheid van glas-in-loodramen, en ze streven er voortdurend naar om de grote ethische inzichten van onze joods-christelijke erfenis relevant te maken in deze dagen en dit tijdperk. Ik heb het gevoel dat rabbi Heschel een van deze personen is die te allen tijde relevant is, altijd bereid om ons met profetische inzichten door deze moeilijke dagen te leiden.

Geciteerd naar S. Heschel, ‘A Different Kind of Theo-Politics’, p.17.

Terecht stelt Susannah Heschel de vraag waarom King zich als dominee in zijn strijd voor gelijke rechten niet alleen op Jezus en de evangeliën beriep. Waarom was het voor hem zo belangrijk ook in naam van de profeten te spreken? Zij beantwoordt de vraag vervolgens zelf: omdat de profeten King een maatschappijkritische taal voor gerechtigheid gaven en een gepassioneerde stem tegen sociaal onrecht. Zij belichaamden de hoop op uiteindelijke verlossing, op het overwinnen van racisme in de samenleving en op een compassievolle God, die niet de loop van de geschiedenis controleert, maar samenwerkt met mensen voor maatschappelijke transformatie.

Heschel wil religie gebruiken om raciale ongelijkheid te bestrijden en mensen van alle rassen te verenigen in de strijd voor gelijkheid en rechtvaardigheid. Het geloof in de heiligheid van de mens, geschapen als evenbeeld van God, ziet hij als een essentiële voorwaarde om raciale vooroordelen en discriminatie te overwinnen. In 1963 verschijnt zijn artikel ‘Religie en ras’:

Religie en ras. Hoe kunnen deze twee samen worden uitgesproken? Handelen in de geest van religie betekent verenigen wat gescheiden ligt, onthouden dat de mensheid als geheel het geliefde kind van God is. Handelen in de geest van ras betekent scheiden, snijden, het vlees van levende menselijkheid ontleden. Is dit de manier om een vader te eren: zijn kind te martelen? Hoe kunnen we het woord ‘ras’ horen en geen zelfverwijt voelen? […] racisme is erger dan afgoderij. Racisme is satanisch, onverholen kwaad.

A.J. Heschel, Religion and Race. The Insecurity of Freedom, Farrar, Straus and Giroux, New York 1966, p.85-86.

Geen religie is een eiland

Heschel richtte zich vooral op de joods-christelijke dialoog. Hij onderhield en koesterde vriendschappen met christelijke theologen tot in het Vaticaan aan toe. Hoewel Heschel in zijn jonge jaren niets liever deed dan studeren, bekeerden ‘de profeten’ hem naar eigen zeggen om een publieke figuur te worden en zich actief in te zetten voor compassie en rechtvaardigheid. Net als zijn twintig jaar oudere beroemde collega Martin Buber, was Heschel overtuigd van het belang van de relatie, de relatie tussen God en mens en mensen onderling. Maar in het beantwoorden van de vraag of deze relatie bij het Ik begint of bij God, liepen de meningen uiteen.

In zijn inaugurale rede bij het aanvaarden van zijn gasthoogleraarshap aan Union Theological Seminary in New York, getiteld ‘No Religion Is an Island’ in 1966, houdt Heschel een krachtig pleidooi voor interreligieuze tolerantie en dialoog. Hij zoekt het gesprek met mensen van verschillende geloofsovertuigingen en niet-gelovigen, omdat hij ten diepste ervan overtuigd is dat zij allemaal op hun eigen manier kinderen van God zijn en met elkaar verbonden. Ephraim Meir laat in zijn boek Interreligiöse Theologie zien dat de grote drie uit de Joodse dialoogfilosofie – Abraham J. Heschel, Martin Buber en Franz Rosenzweig – met hun dialogische hermeneutiek aan de wieg stonden van de interreligieuze dialoog en een belangrijke bijdrage leverden aan de ontwikkeling van een interreligieuze theologie, die Meir nastreeft.

Vandaag

Net als in 1984 weet Abraham Joshua Heschel mij bij hernieuwde bestudering van zijn werk weer te boeien: zijn levensverhaal, de combinatie van Joodse geleerde en activist, zijn gepassioneerde inzet voor de burgerrechtenbeweging en tegen de oorlog in Vietnam, zijn geweldloos verzet tegen de status quo op basis van zijn religieuze overtuiging,
zijn diepe spiritualiteit en levenswijsheid die hij zo toegankelijk wist te verwoorden, zijn Joodse traditie waarin hij vol overtuiging stond. Morele helderheid omwille van sociale gerechtigheid.

In het bekende interview met Carl Stern antwoordt Heschel op de vraag waarom de Vietnam Oorlog voor hem een religieuze aangelegenheid is:

Natuurlijk is dit een religieus vraagstuk, want waar vraagt God ons in de eerste plaats om? Gerechtigheid en compassie. Wat veroordeelt Hij vooral? Moord, het doden van onschuldige mensen. Hoe kan ik bidden wanneer ik op mijn geweten heb dat ik medeverantwoordelijk ben aan de dood van onschuldige mensen in Vietnam? In een vrije samenleving zijn sommigen schuldig en allen verantwoordelijk.

Carl Sterns interview met Heschel in: S. Heschel, Moral Grandeur and Spiritual Audacity, p.400.

Uiteraard heeft de tijd niet stilgestaan. Integendeel, er hebben in korte tijd ingrijpende maatschappelijke veranderingen plaatsgevonden. Zo spreken we vandaag (hopelijk) meer in genderneutrale taal over God, en vraagt de actualiteit van de huidige klimaatcrisis met alle gevolgen voor mens, dier en natuur om een minder antropocentrisch georiënteerde benadering van het profetisch spreken.

unnamed1

Desalniettemin zijn er interessante aanknopingspunten bij Heschel, en uiteraard ook bij King,34 te vinden die naadloos bij de huidige actualiteit aansluiten, zoals zijn rehabilitatie van de ethiek en het menselijk handelen ten aanzien van het conceptuele denken dat de (christelijke) academische theologie nog steeds in zijn greep houdt. Of het gevaar van spirituele en morele leegte in een geseculariseerd en neoliberaal georiënteerd Nederland. Het gebrek aan moed om op te staan tegen de schending van mensen- dieren- en natuurrechten, niet alleen op papier maar ook in geweldloze acties van burgerlijke ongehoorzaamheid. Heschel en King sporen ons aan kleur te bekennen, profetisch
te getuigen en verantwoordelijkheid te nemen voor het leven op deze aarde. Samen, zij aan zij, vriendschappelijk verschillen verbindend… net als Heschel en King in 1965 tijdens de mars van Selma naar Montgomery. Na afloop zei Heschel dat het voelde alsof zijn benen aan het bidden waren. De mars was protest én gebed, een eredienst zonder woorden maar met een profetische opdracht.

Dit is een hoofdstuk uit het boek Torah uit de hemel. Het rabbijnse denken van A.J. Heschel dat in november 2023 verscheen ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Folkertsma Stichting/Stichting PaRDeS. Het is een bundel met tien essays geschreven door leerlingen van rabbijn Yehuda Aschkenasy. Dit hoofdstuk is oorspronkelijk op NieuwWij.nl gepubliceerd op 26 november 2023 en opnieuw geplaatst in het kader van de Nieuw Wij Winterherhalingen.

mk_foto

Manuela Kalsky

Oprichter en Bijzonder Hoogleraar

Manuela Kalsky richtte Nieuw Wij op als directeur van het onderzoekscentrum van de Nederlandse Dominicanen (DSTS). Zij was directeur, …
Profiel-pagina
Al 2 reacties — praat mee.